Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:9788
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,811 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22900
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 18 augustus 1988. Hij heeft op 8 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft – voor zover van belang – met het bestreden besluit van 30 mei 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit het beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Algerije in 2012/2013 heeft verlaten vanwege de dienstplicht. Hij vreest bij terugkeer door het tribunaal te worden bestraft.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst.
De staatssecretaris acht eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig en om die reden heeft de staatssecretaris het asielrelaas van eiser niet inhoudelijk beoordeeld. In dit verband heeft de staatssecretaris erop gewezen dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, meerdere aliassen heeft gebruikt en wisselend heeft verklaard over zijn land van herkomst. Omdat volgens de staatssecretaris sprake is van misleiding, heeft hij de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
6. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiser er niet in is geslaagd zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. In dit verband neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen. Verder heeft de staatssecretaris aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij Oostenrijk en Frankrijk verschillende persoonsgegevens heeft opgegeven. Deze verschillen zitten niet alleen in de naam, maar ook in de geboortedatum en nationaliteit. Ook in Nederland heeft eiser wisselend verklaard over zijn leeftijd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser, door de gebruikmaking van aliassen in andere lidstaten en zijn wisselende verklaringen in Nederland onder andere voor wat betreft zijn leeftijd, heeft getracht hem te misleiden om zo in een gunstiger positie te geraken, als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Aan het vorenstaande doet niet af dat eiser bij het gehoor uit eigen beweging naar voren heeft gebracht dat hij zich in andere lidstaten van aliassen heeft bediend en evenmin aan het feit dat de conclusie is van de afgenomen taalanalyse niet in het dossier is opgenomen. Daaruit kan immers niet blijken dat hij thans de juiste identiteit heeft opgegeven. Nu eiser er niet in is geslaagd zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat hij het asielrelaas niet inhoudelijk kan toetsen en dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Immers uit vaste rechtspraak volgt dat de asielmotieven alleen maar betekenis hebben tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling. Wat eiser in beroep naar voren heeft gebracht in het kader van de tegenwerping van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, behoeft, gelet op het voorgaanden, geen bespreking. De staatssecretaris heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft overwogen dat eiser terug dient te keren naar Algerije. Dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig zou zijn, omdat de staatssecretaris enerzijds niet geloofd dat eiser afkomstig is uit Algerije maar wel van hem verwacht terug te keren naar Algerije, volgt de rechtbank niet. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRvS van 8 mei 2024, welke uitspraak ook ter zitting is aangehaald. Uit die uitspraak volgt dat in een terugkeerbesluit altijd een of meer landen van terugkeer moeten worden vermeld. Dit geldt ook in het geval de nationaliteit of herkomst van de vreemdeling niet is komen vast te staan, of zoals in onderhavig geval niet aannemelijk is gemaakt. Nu eiser zelf heeft verklaard afkomstig te zijn uit Algerije, heeft de staatssecretaris in het bestreden besluit Algerije kunnen noemen als land waar eiser naar dient terug te keren.
Conclusie
8. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat hij geen gelijk krijgt en dat hij Nederland direct dient te verlaten. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra-Verbeek, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaak NL24.22901
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4061
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:1970