Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2024-06-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:9696
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 23-3225 (echtscheiding) FA RK 23-8086 (afwikkeling huwelijksvermogen) Zaaknummers: C/09/647063 (echtscheiding) C/09/656522 (afwikkeling huwelijksvermogen) Datum beschikking: 13 juni 2024 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 3 mei 2023 ingekomen verzoekschrift van: [de vrouw] , de vrouw, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. C.S. Ganga in Zoetermeer (voorheen: mr. R.C. Pormes in ’s-Gravenhage). Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. J.T.R.J. Bracke in ’s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van: het verzoekschrift van de vrouw; het bericht van 9 mei 2023 van de vrouw, met bijlage; het bericht van 24 mei 2023 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad); het bericht van 7 juni 2023 van de vrouw, met bijlage; het op 29 augustus 2023 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man; het op 23 oktober 2023 ingekomen verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw; het rapport van 18 december 2023 van de Raad, met kenmerk [kenmerk] ; het op 7 maart 2024 ingekomen aanvullend verweerschrift met aanvullende en gewijzigde verzoeken van de man; het bericht van 19 april 2024 van de man, met bijlagen; het op 23 april 2024 ingediende formulier verdelen en verrekenen van de man; de berichten van 25 april 2024 van de vrouw, met akte aanvullende verzoeken en met bijlagen; het bericht van 26 april 2024 van de vrouw, met bijlagen; het bericht van 30 april 2024 van de man, met akte aanvullende verzoeken en met bijlagen; het bericht van 1 mei 2024 van de man, met bijlagen; het bericht van 1 mei 2024 van de vrouw, met bijlagen; het bericht van 2 mei 2024 van de man, met aanvullend verzoek; het bericht van 3 mei 2024 van het Wilmahuis, met bijlage; het bericht van 3 mei 2024 van de vrouw, met bijlage; het bericht van 5 mei 2024 van de vrouw, met aanvullend verzoek en met bijlagen. Op 6 mei 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat; de man bijgestaan door zijn advocaat; [naam 1] namens de Raad. Door de advocaat van de vrouw en de man zijn pleitnotities overgelegd en de door de griffier gemarkeerde stukken zijn op de zitting voorgehouden. Feiten Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2014 in [plaats] , [land] . Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in ’s-Gravenhage; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in ’s-Gravenhage. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen verblijven feitelijk bij de vrouw. Volgens uittreksels uit de Basisregistratie Personen (BRP) hebben partijen de Nederlandse nationaliteit. Op het moment van de huwelijkssluiting was de man ook Burger van [land] . Deze rechtbank heeft op 16 mei 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover hier relevant, inhoudende dat: de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd; de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning; partijen zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding; de Raad is verzocht een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en advies uit te brengen. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt, zoals dat na aanvulling nu luidt en naar de rechtbank begrijpt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de echtscheiding tussen partijen uit te spreken; te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben; te bepalen dat de man de kinderen zal zien onder begeleiding van een GZ-psycholoog, zodra RondomJou daartoe de mogelijkheid biedt en dat tot die tijd de huidige begeleide omgang wordt voortgezet bij het Wilmahuis, zolang het Wilmahuis de aanwijzingen van de gezinscoach van RondomJou opvolgt; te bepalen dat de man zal bijdragen in De rechtbank zal de verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen. Hoofdverblijfplaats Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn het erover eens dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen daarom, als niet weersproken en in het belang van de kinderen, toewijzen. Zorgregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen. Inhoudelijke beoordeling In de voorlopige voorzieningenprocedure zijn partijen verwezen haar het traject Omgangsbegeleiding en is een raadsonderzoek gelast. De rechtbank heeft over het contact tussen de man en de kinderen destijds het volgende overwogen: “Wat betreft (de opbouw van) het contact tussen de man en de kinderen denkt de rechtbank aan een start van een uur begeleide omgang per week. Verder is het aan het omgangshuis om te kijken hoe de kinderen daarop reageren. De rechtbank gaat er ook van uit dat partijen en het omgangshuis veiligheidsafspraken met beide partijen zullen maken, zodat beide partijen elkaar in beginsel niet zullen treffen bij het omgangshuis.” De rechtbank heeft de Raad verzocht in het raadsonderzoek de volgende vragen te beantwoorden: Indien draagvlak voor contact met de man bestaat, welke zorgregeling met de man is dan in het belang van de kinderen? Hoe loopt de zorgregeling bij het omgangshuis? Zijn er contra-indicaties voor het vaststellen van een zorgregeling? Welke verdere hulpverlening of begeleiding is nodig voor de kinderen en/of partijen? Komen in het onderzoek verdere bevindingen naar voren die van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen en met betrekking tot partijen? De Raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek geadviseerd om de begeleide omgang op te bouwen met ondersteuning van het omgangshuis – in dit geval het Wilmahuis – naast (trauma)behandeling voor de kinderen. Het Wilmahuis moet ondersteunen in het voorbereiden van de begeleide omgang en in overleg met de betrokken behandelaren van de kinderen het inschatten welk tempo passend is voor de kinderen om te starten met de begeleide omgang. De casusregie moet worden belegd bij het Centrum voor Jeugd en Gezin, nu RondomJou. De Raad acht het gelet op het belaste verleden van belang dat er rust en veiligheid komt voor de kinderen. De Raad zal indien gewenst zes maanden na de zitting een update schrijven aan de rechtbank over de huidige stand van zaken en de geboekte vooruitgang danwel stagnatie in het contact tussen de man en de kinderen. Indien mogelijk zal de Raad dan een concreet advies geven over de zorgregeling tussen de man en de kinderen. Op 9 april 2024 en 23 april 2024 hebben de eerste twee begeleide contactmomenten tussen de man en de kinderen plaatsgevonden bij het Wilmahuis, die respectievelijk één en twee uur hebben geduurd. Zowel het Wilmahuis als de man zijn positief over het verloop van deze contactmomenten. De man wil graag dat de begeleide contactmomenten bij het Wilmahuis worden voortgezet en dat wordt toegewerkt naar de door hem verzochte zorgregeling. De vrouw is op zichzelf niet tegen (begeleid) contact tussen de man en de kinderen, maar zij stelt dat het Wilmahuis te vroeg is gestart met het begeleide omgangstraject. Het Wilmahuis had volgens de vrouw pas mogen starten, nadat de traumabehandeling van de kinderen was gestart. Ook heeft het Wilmahuis het raadsrapport niet willen lezen en verlopen de begeleide omgangsmomenten niet zo rooskleu Draagkracht man De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man de overgelegde salarisspecificaties van januari tot en met maart 2024 als uitgangspunt nemen en rekening houden met: salaris: € 2.971,- bruto per maand; ABP AOP-premie: € 2,61 per maand; ABP OP/NP premie: € 163,22 per maand; tegemoetkoming ZVW netto: € 30,95 per maand; IKB: € 506,56 per maand. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting. Voor zover de man heeft betoogd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing op schulden, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De man heeft het bestaan van deze schulden en de aflossingen daarop niet, althans onvoldoende onderbouwd. Vanwege de ingangsdatum, zoals hiervoor is overwogen, rekent de rechtbank met periode 2024-I. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 2.777,- per maand en zijn draagkracht voor kinderalimentatie op € 472,- per maand. Draagkracht vrouw De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw de overgelegde salarisspecificaties van januari tot en met maart 2024 als uitgangspunt nemen en rekening houden met: salaris: € 4.921,54 bruto per maand; premie ABP Pensioen/NP: € 348,48 per maand; premie ABP AP: € 6,36 per maand; IKB: € 805,66 per maand. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting; de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank houdt verder rekening met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Ook houdt de rechtbank rekening met de aflossing van € 28,- per maand op de schuld bij de Belastingdienst en € 140,- per maand op de schuld de Belastingdienst, mede omdat de man het bestaan van deze schulden en de aflossingen daarop niet heeft betwist. Met betrekking tot de advocaatkosten overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft gesteld dat zij een schuld heeft bij haar werkgever, omdat haar werkgever haar advocaatkosten heeft voorgeschoten in de vorm van een lening. De hoogte van deze lening is € 15.018,30. Op dit moment zijn er nog geen concrete terugbetalingafspraken gemaakt tussen de werkgever en de vrouw, maar de vrouw acht het redelijk om rekening te houden met een aflossing van € 350,- per maand. De man betwist het bestaan van deze schuld niet, maar acht het onredelijk dat rekening wordt gehouden met een aflossing van € 350,- per maand. Omdat het bestaan van deze schuld door de man niet wordt betwist, acht de rechtbank het redelijk om hiermee rekening te houden. Voor wat betreft de hoogte van de aflossing zoekt de rechtbank aansluiting bij het bedrag aan advocaatkosten dat is opgenomen in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie 2023, te weten € 114,- per maand. Anders dan de vrouw, ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit moment af te wijken van het forfaitair woonbudget van 30% van het NBI. Dat de vrouw een woning moet gaan huren voor haar en de kinderen in de vrije sector, is op dit moment een onzekere toekomstige gebeurtenis. Vanwege de ingangsdatum, zoals hiervoor is overwogen, rekent de rechtbank met periode 2024-I. De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 4.505,- per maand en haar draagkracht voor kinderalimentatie op € 1.121,- per maand. Zorgkorting Tussen partijen is de hoogte van de zorgkorting in geschil. De rechtbank volgt in dit opzicht het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van de behoefte van de kinderen, omdat partijen onderling en jegens hun kinderen het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag zou de partij bij wie de kinderen niet het hoofdverblijf hebben in de zorg moeten kunnen voorzien. De rechtbank ziet aanleiding om rekening te houden met een zorgk Omvang van het huwelijksvermogen Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen en schulden in de ontbonden gemeenschap vallen: de echtelijke woning in [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Obvion N.V.; de inboedelgoederen; de Kia Niro 1.6 Hybrid met kenteken [kenteken 1] en de schuld aan DutchFinance Financial Lease; e Mercedes Benz met kenteken [kenteken 2] ; de saldi op de bankrekeningen; [bankrekening 1] op naam van de vrouw; [bankrekening 2] op naam van de vrouw; [bankrekening 3] op naam van de man (betaal- en spaarrekening); [bankrekening 4] op naam van de eenmanszaak van de man (zakelijke betaal- en spaarrekening; de schulden. ad a) de echtelijke woning in [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Obvion N.V. Zoals op de zitting al met partijen is besproken, zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening de wijze van verdeling gelasten conform het in het dictum vermelde ‘spoorboekje’. Partijen waren het daarbij niet eens over de taxatie van de echtelijke woning, de aanwezigheid van de man daarbij, het verbinden van een dwangsom aan de taxatieopdracht en de termijn voor overname van de echtelijke woning door de vrouw. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Zonder medeweten van de man, heeft de vrouw de echtelijke woning op 3 januari 2024 laten taxeren door NWWI-makelaar [naam 2] van [makelaar 1] . Uit het taxatierapport van 21 maart 2024 volgt dat de echtelijke woning is getaxeerd op € 285.000,-. De man stemt niet in met deze taxatiewaarde. De NWWI-makelaar die de echtelijke woning heeft getaxeerd is een vriend van de vrouw en de taxatiewaarde ligt onder de WOZ-waarde van de woning van € 310.000,- op 1 januari 2023. Nu de man met deze waarde niet instemt, zal de echtelijke woning opnieuw getaxeerd moeten worden. Op de zitting heeft de vrouw vervolgens gekozen dat de echtelijke woning getaxeerd moet worden door de door de man voorgestelde makelaar [naam 3] van [makelaar 2] . De rechtbank zal daarbij bepalen dat partijen de taxatiekosten ieder voor de helft moeten betalen. Hoewel de vrouw op de zitting een makelaar-taxateur heeft gekozen om de echtelijke woning opnieuw te taxeren, stelt de rechtbank ook vast dat de vrouw – wat de reden daarvan ook zij – eerder niet heeft willen meewerken aan een gezamenlijke opdracht tot taxatie van de echtelijke woning. Om te voorkomen dat de overname (dan wel verkoop) van de echtelijke woning nog langer op zich laat wachten, zal de rechtbank, zoals door de man verzocht, aan het verstrekken van de opdracht tot taxatie een dwangsom verbinden van € 300,- per dag dat de vrouw dit nalaat. De op te leggen dwangsom zal ambtshalve worden gemaximeerd tot € 6.000,-. Verder acht de rechtbank de weerstand van de vrouw tegen de aanwezigheid van de man bij de taxatie van de echtelijke woning gelet op het belaste verleden van partijen invoelbaar. Tegelijkertijd begrijpt de rechtbank ook dat de man aanwezig wil zijn bij de taxatie. Daarom zal de rechtbank bepalen dat beide partijen niet zelf aanwezig mogen zijn bij de taxatie van de echtelijke woning. Beide partijen mogen een vertrouwenspersoon aanwezig laten zijn, bijvoorbeeld een vriend of familielid. De vrouw mag daarbij echter niet de bevriende NWWI-makelaar aanwezig laten zijn. Desgewenst kan de vertrouwenspersoon tijdens de taxatie telefonisch overleg voeren met de partij die wordt vertegenwoordigd. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk en anders dan de vrouw verzoekt, bepalen dat de vrouw binnen twee maanden na de taxatie aan de man moet aantonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening. Subsidiair heeft de vrouw verzocht om de verdeling van de woning voor een periode van drie jaar uit te sluiten. De man kan zich daar niet mee verenigen. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:178 BW volgt dat d Als één van de partijen wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere partij. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man en nu de vrouw haar standpunt vervolgens niet nader heeft onderbouwd, is de rechtbank niet gebleken dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht voortvloeit. Partijen zijn dus in beginsel beiden hoofdelijk aansprakelijk en zijn ieder voor de helft draagplichtig voor het aflossen van de schulden bij de Belastingdienst op naam van de man op de peildatum. Met betrekking tot de schuld bij Santander overweegt de rechtbank als volgt. Het ligt op de weg van de man om aan te tonen dat de schuld bij Santander een huwelijkse schuld is en reeds aanwezig was op de peildatum. Als deze schuld na de peildatum is ontstaan, is de vrouw daarvoor niet draagplichtig. Als deze schuld voor de peildatum is ontstaan, gelden daarvoor dezelfde uitgangspunten als hiervoor over de schulden bij de Belastingdienst op naam van de man is overwogen. Inhoudelijke beoordeling vorderingen De vrouw heeft vorderingsverzoeken gedaan over de betaling van de helft van de hypotheeklasten, de Verisure beveiliging, de kosten van het internet, de kosten van het voordeurafsluitwerk, de gemeentelijke belastingen en waterschapsbelasting en de energielasten. Op de zitting heeft de vrouw de vorderingsverzoeken over de Verisure beveiliging en de kosten van het internet ingetrokken. Ten aanzien van het vorderingsverzoek van de vrouw betreffende het aflossingsdeel van de hypotheeklasten, overweegt de rechtbank dat in het ‘spoorboekje’ wordt bepaald dat de verdeling van de overwaarde tussen partijen zodanig zal plaatsvinden dat beide partijen gelijkelijk bijdragen aan de afbetaling op de hypotheek over de periode van de peildatum tot overdracht van de woning. Heeft één der partijen meer betaald dat dient daarop bij de verdeling van de overwaarde een correctie plaats te vinden. Voor een toedeling van (een deel van) die lasten aan de man vóór de peildatum ziet de rechtbank geen aanleiding omdat de saldi van de bankrekeningen reeds in de verdeling van de gemeenschap zijn betrokken. De vrouw heeft daarom geen belang meer bij haar verzoek. Ten aanzien van het vorderingsverzoek over de kosten van het voordeurafsluitwerk overweegt de rechtbank dat dit verzoek bij gebreke aan een wettelijke grondslag zal worden afgewezen. Ten aanzien van tot het vorderingsverzoek over de energielasten overweegt de rechtbank als volgt. Naar de rechtbank begrijpt is dit een verzoek tot vergoeding van de kosten van de huishouding. De energielasten zien op de periode van februari 2023 tot en met juni 2023. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw moeten twee perioden worden onderscheiden: de periode tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap (3 mei 2023); de periode vanaf de datum van ontbinding van de gemeenschap (3 mei 2023) tot de datum van ontbinding van het huwelijk. Periode 1 De rechtbank overweegt dat de kosten van de huishouding in de periode vanaf het feitelijk uiteengaan tot aan de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap zijn verdisconteerd in de op de peildatum (3 mei 2023) aanwezige saldi op de bank- en spaarrekeningen van partijen. Omdat de bankrekeningen reeds in de verdeling van de gemeenschap zijn betrokken, hoeft er over deze periode niets te worden vergoed. Periode 2 In de periode vanaf 3 mei 2023 tot en met de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand is sprake van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, terwijl het huwelijk nog niet is ontbonden. Dit betekent dat de man en de vrouw op grond van artikel 1:84 tweede lid BW verplicht blijven elkaar het nodige te verschaffen. Hierbij geldt dat de kosten van de huishouding door partijen naar rato van inkomen worden gedragen. Naar