Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:9644
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,412 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.19717
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 26 november 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de staatssecretaris een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 maart 2024 (in de zaak NL24.9654) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is. Eiser zit al bijna zes maanden in bewaring. De vraag is of eisers nationaliteit is bevestigd. Dit is bepalend voor het zicht op uitzetting. Er is op 16 april 2024 voor een laatste maal gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, maar de vraag is wat dit rappel inhoudt. Eiser is van mening dat de staatssecretaris duidelijkheid behoort te verschaffen over de stand van zaken.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting
6. Het zicht op uitzetting naar Marokko is in beginsel aanwezig. In deze zaak loopt het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog. De staatsecretaris heeft laatstelijk op 16 april 2024 gerappelleerd bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp). Daarnaast heeft de staatssecretaris op 29 april 2024 de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) verzocht om de aanvraag om een lp opnieuw onder de aandacht van de consul te brengen. Op 10 mei 2024 is door DIA een aanvullend rappel verstuurd naar de consul van Marokko in Amsterdam. De nationaliteit en identiteit van eiser zijn nog niet bevestigd door de Marokkaanse autoriteiten. Voor het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van eiser vindt een dactyloscopisch onderzoek plaats, omdat hij ongedocumenteerd is. De Marokkaanse autoriteiten in Amsterdam zijn in afwachting van de uitkomst van het dactyloscopisch onderzoek dat in Rabat (Marokko) plaatsvindt. De Marokkaanse autoriteiten hebben verder niet op voorhand te kennen gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris in deze afhankelijk is van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten. Verder heeft de staatssecretaris op 25 april 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank overweegt dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Eiser moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is. De beroepsgrond faalt daarom.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 mei 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.