Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:9637
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,068 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.21350
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Hol),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De Staatssecretaris heeft op 9 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De Staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 april 2024 (in de zaak NL24.16348) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het
voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht op uitzetting is. De maatregel van bewaring duurt nu meer dan drie maanden voort. Er is geen enkele voortgang ten aanzien van eisers uitzetting uit Nederland, aldus eiser.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Het zicht op uitzetting en de voortvarendheid
6. Het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt. De Staatssecretaris rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 7 mei 2024. Dat het onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer niet nu de Marokkaanse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. De Staatssecretaris is voor de afgifte van een lp afhankelijk van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten. De Staatssecretaris heeft eiser verder op 15 mei 2024 opnieuw opgeroepen voor een vertrekgesprek, maar eiser is niet verschenen. De rechtbank concludeert dan ook dat er onverkort zicht op eisers uitzetting naar Marokko is en dat de Staatssecretaris voldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 mei 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.