Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:9618
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,090 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/665110 / JE RK 24-742
Datum uitspraak: 31 mei 2024
Beschikking van de kinderrechter
Verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak naar aanleiding van het op 23 april 2024 ingekomen verzoekschrift van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
de gecertificeerde instelling,
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ,
hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
hierna: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
advocaat: mr. S. van Beers, te Zeist.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
de vader,
met briefadres in [plaats] ,
advocaat: mr. R. Shahbazi, te ’s-Gravenhage.
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het gezinsplan, ingekomen op 24 april 2024.
Op 31 mei 2024 heeft de behandeling ter zitting plaatsgevonden op de gecombineerde behandeling van zowel onderhavig verzoek als het verzoek ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing (C/09/664704 / JE RK 24-685) en het verzoek ten aanzien van het gezag (C/09/628373 / FA RK 22-2562). Op deze laatste verzoeken is bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
[naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Feiten
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven feitelijk bij de moeder.
De kinderen staan vanaf 22 juni 2018 onder toezicht van Jeugdbescherming west.
De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 22 juni 2024.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2024 (C/09/628373 / FA RK 22-2562) is bepaald dat de vader voortaan, gezamenlijk met de moeder, het gezag zal toekomen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 mei 2024 (C/09/664704 / JE RK 24-685) het verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgewezen.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder en de vader hebben verweer gevoerd dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog aanwezig is. Sinds november 2023 is er een nieuwe jeugdbeschermer betrokken bij het gezin ( [naam 1] ). Op dat moment is de hulpverlening vanuit MST-CAN vanuit de Viersprong ingezet en is begonnen met het traject in de thuissituatie bij de moeder. Dit naar aanleiding van een incident op 28 september 2023 waarbij de kinderen (waarschijnlijk) zijn geslagen door de moeder. De moeder had tot voor kort drie keer per week een gesprek met een therapeut van MST-CAN. Op 22 maart 2024 heeft de moeder deze hulpverlening beëindigd. De moeder is nu wel beter in staat de kinderen te begrenzen. De gecertificeerde instelling heeft weinig zicht gehad op hoe het tussen de vader en de kinderen gaat. De gecertificeerde instelling ziet wel dat de ouders het moeilijk vinden om hun eigen aandeel te herkennen en eventueel te veranderen. Dat zorgt ervoor dat de communicatie nog niet is verbeterd en de kinderen daar last van hebben. De slechte communicatie ziet de gecertificeerde instelling op dit moment als hoofdreden voor verlenging van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling hoopt in het kader van de ondertoezichtstelling het komende jaar de samenwerking tussen de ouders beter te krijgen door in te zetten op ouderschapsbemiddeling.
De moeder heeft aangegeven dat er al jaren een ondertoezichtstelling loopt en nog (steeds) niet is ingezet op ouderschapsbemiddeling, terwijl zij dat graag zou willen. De hulp die is ingezet, zag met name op de thuissituatie bij de moeder, maar daar had de focus niet moeten liggen. Er was ook geen zicht op hoe het bij de vader thuis gaat. Ook volgens de moeder zit de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen in de slechte communicatie tussen de ouders. De moeder wil dat daar zo snel mogelijk op wordt ingezet en verzoekt de ondertoezichtstelling maximaal te verlengen met zes maanden.
De vader heeft aangegeven dat hij veel te laat overal bij is betrokken en dat hij ook wil dat er wordt ingezet op verbetering van de communicatie tussen de ouders. De vader heeft benadrukt dat volgens de voorgaande jeugdbeschermer de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten als het de ouders lukt een ouderschapsplan op te stellen. Dat is het afgelopen jaar niet gebeurd waardoor het gezin niet is opgeschoten.
De kinderrechter stelt voorop dat – hoewel er al zes jaar lang sprake is van een ondertoezichtstelling – er in dit gezin de afgelopen periode ook veel dingen wel goed zijn gegaan. Zo is in het dossier te lezen dat de kinderen het fijn hebben bij de moeder en dat zij ook met plezier naar hun vader gaan. De kinderen zijn allebei in september naar de volgende groep op school overgegaan. Volgens de school gaat het beter met de kinderen. Ook is gebleken dat de moeder beter grenzen kan stellen aan de kinderen. In de stukken van het Wilmahuis wordt geschreven over een liefdevolle vader en betrokken oma vaderszijde. De afgelopen tijd zijn er – ondanks dat het ouderschapsbemiddelingstraject nog niet is gestart –positieve stappen gezet.
Omdat nog niet alle doelen van de ondertoezichtstelling zijn behaald, is de kinderrechter, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen, maar voorlopig met zes maanden in plaats van een jaar. Naar het oordeel van de kinderrechter zijn de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig.
Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat duidelijk is gebleken dat de slechte communicatie tussen de ouders het grote probleem is en dat daarin de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen nog zit. De kinderrechter geeft de gecertificeerde instelling uitdrukkelijk mee dat in het kader van de ondertoezichtstelling de komende zes maanden zo snel mogelijk moet worden ingezet op een traject tussen de ouders om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Daarbij verwijst de kinderrechter ook naar een overweging in de vorige beschikking met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van 18 juli 2023, waarin de kinderrechter heeft opgenomen dat ‘van belang is dat de ouders nu zo spoedig mogelijk gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie en hun wederzijdse vertrouwen via het beoogde traject bij de Viersprong.’
De communicatie tussen de ouders is naar het oordeel van de kinderrechter het enige waar de gecertificeerde instelling op moet inzetten, zodat de kinderen zo snel mogelijk geen last meer hebben van de slechte verstandhouding tussen de ouders. De kinderrechter geeft de gecertificeerde instelling mee dat het belangrijk is dat de gecertificeerde instelling daar zelf strak de regie op houdt, en niet de regie zal overlaten aan MST-CAN. De gecertificeerde instelling is immers de organisatie die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
Daarnaast overweegt de kinderrechter dat bij beschikking van 14 juni 2024 (C/09/628373 / FA RK 22-2562) is bepaald dat de vader voortaan, gezamenlijk met de moeder, het gezag zal toekomen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel de ouders nog begeleiding nodig hebben in hun onderlinge communicatie, hebben de ouders wel laten zien dat zij welwillend zijn. De doelstelling dat binnen de ondertoezichtstelling de komende zes maanden zal worden ingezet op verbetering van de communicatie tussen de ouders ondersteunt de beslissing tot toewijzing van het gezamenlijk gezag aan de vader. De gecertificeerde instelling kan de komende tijd dan ook regie houden in het kader van door de ouders gezamenlijk te nemen gezagsbeslissingen.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling niet verlengen met een jaar, omdat verwacht wordt dat de ouders binnen zes maanden binnen een traject ouderschapsbemiddeling vooruitgang hebben geboekt ten aanzien van hun onderlinge communicatie. Bovendien acht de kinderechter het van belang om vinger aan de pols te houden, nu de ondertoezichtstelling al zo lang loopt. Wellicht kan de hulpverlening na zes maanden in het vrijwillig kader worden voortgezet. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling daarom voor zes maanden verlengen en het verzoek voor het overige (zes maanden) aanhouden. De kinderrechter wil uiterlijk twee weken voor de volgende zitting worden geïnformeerd of de rest van het verzoek gehandhaafd wordt en indien dat het geval is een update van de situatie en de gronden voor verlenging ontvangen.
Derhalve zal als volgt worden beslist.
Dictum
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 22 juni 2024 tot 22 december 2024 met behoud van de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 22 december 2024;
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;
de moeder;
de vader;
verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nader te bepalen zitting een schriftelijke update aan de rechtbank te doen toekomen zoals hiervoor overwogen.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024 door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Bas als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 14 juni 2024.
Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.