Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:9595
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,454 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/1170
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 26 januari 2023 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2024.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam].
Overwegingen
1. Op 15 november 2022 om 09:48 stond de auto van eiser geparkeerd op een parkeerplaats in de Van Maudricstraat te Den Haag (de locatie). Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.
2. Tijdens een controle op voormeld tijdstip is door een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en geen geldige parkeervergunning was aangemeld. Naar aanleiding daarvan is aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd van € 68,50, bestaande uit € 2 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt eiser dat hij zijn auto heeft geparkeerd om absenten door te geven en dat hij maximaal vijf minuten bij zijn auto is weggeweest en dat dit aangemerkt kan worden als laden en lossen. Voor zover daar geen sprake van is heeft eiser aangevoerd dat hij niet de intentie had om te parkeren.
5. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken.
6. Onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, tenzij sprake is van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken. Onder het begrip “onmiddellijk laden en lossen” wordt verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is.
7. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat sprake is van parkeren rust op verweerder. Daartoe heeft verweerder foto’s overgelegd die zijn gemaakt met een scanauto. Op deze foto’s zijn geen activiteiten zichtbaar waaruit blijkt dat sprake is van onmiddellijk laden en of lossen van zaken. De deuren van de auto zijn gesloten en er bevinden zich geen personen in de buurt van de auto. Met deze foto’s heeft verweerder in beginsel aannemelijk gemaakt dat sprake was van parkeren. Dat ter plaatse geen nadere controle door een parkeercontroleur heeft plaatsgevonden, doet daaraan niet af. De tijd die eiser heeft geparkeerd, acht de rechtbank niet relevant aangezien volgens vaste rechtspraak ook het kort stilstaan is aan te merken als parkeren waarvoor parkeerbelasting is verschuldigd. Nu eiser geen vergunning had en ook anderszins geen parkeerbelasting heeft betaald is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
8. Dat eiser niet de intentie had om geen parkeerbelasting te betalen maakt voormeld oordeel niet anders. Een naheffingsaanslag perkeerbelasting is namelijk geen boete, maar de naheffing van een objectieve belasting waarbij opzet en schuld geen rol spelen. Daarmee bedoelt de rechtbank te zeggen dat het (enkele) feit dat voor de geparkeerde auto geen parkeerbelasting is betaald, voldoende is om een naheffingsaanslag op te leggen. Gelet daarop maakt het geen verschil dat eiser ook weleens te veel parkeerbelasting heeft betaald.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet in samenhang gelezen met artikel 1:1 van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022.
Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445.
Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 31 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2491.