Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:9466
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
831 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22757
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 3 juni 2024 de maatregel van bewaring opgeheven vanwege de overdracht van eiser aan Polen.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1995.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser voert aan dat met een lichter middel had kunnen volstaan. Hij stond open voor terugkeer naar Polen en had daarvoor ook de middelen.
4. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel van
bewaring volgt dat er een significant risico was dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Daarbij komt dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft gelet daarop geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen.
5. Tot slot leidt ambtshalve toetsing ook niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.