Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:9426
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
984 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37225
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , verzoeker,geboren op [geboortedatum] ,van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, staatssecretaris.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 27 november 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 16 december 2021.
De staatssecretaris heeft op 22 december 2023 een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Verzoeker heeft op 2 januari 2024 het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75
en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Verzoeker heeft de aanvraag ingediend op 16 december 2021. Bij brief van
18 oktober 2022 is door de staatssecretaris aan verzoeker medegedeeld dat zijn aanvraag zal worden behandeld in de nationale procedure. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van verzoeker op 18 april 2023 eindigen. De staatssecretaris heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2022/22, de beslistermijn van asielaanvragen met negen maanden verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van haar meervoudige kamer van 26 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6050) geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn eindigt op 18 januari 2024. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 17 mei 2023 prematuur was ingediend, hetgeen zou hebben geleid tot een niet-ontvankelijk beroep.
3. Nu er geen sprake is van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de
rechtbank geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.