Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:9172
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,258 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.17257
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Drenth), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: J.M.M. van Gils).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 1 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De staatssecretaris heeft op 25 april 2024 de maatregel van bewaring opgeheven en eiser uitgezet. Daarnaast heeft de staatssecretaris een verweerschrift ingediend.
Eiser handhaaft het beroep met betrekking tot schadevergoeding.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1997] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van
het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2024 (in de zaak NL24.13539) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
4. De rechtbank is - anders dan eiser - van oordeel dat er geen grond bestaat voor de conclusie dat de bewaring op enig moment voor de opheffing ervan onrechtmatig is geworden en om die reden reeds eerder opgeheven had moeten worden. De rechtbank verwijst hieromtrent allereerst naar haar eerdere uitspraak van 10 april 2024 (in de zaak NL24.13539), rechtsoverwegingen 5 en 6. Daaraan voegt de rechtbank toe dat de staatssecretaris regelmatig rappelleerde bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast voerde de staatssecretaris vertrekgesprekken met eiser. Vervolgens is eiser op 25 april 2024 uitgezet naar Algerije. De Staatssecretaris is voor het plannen van een vlucht met escorte afhankelijk van de luchtvaartmaatschappij en de Koninklijke Marechaussee. De rechtbank acht de benodigde termijn om de uitzetting te realiseren in dit geval niet onredelijk. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat tot aan de opheffing zicht op uitzetting heeft bestaan en dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding van de uitzetting van eiser. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
Belangenafweging
5. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 mei 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.