Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:8985
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,290 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2413
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 mei 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [Woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Eversteijn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 12 maart 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2
Verweerder heeft in het besluit van 12 maart 2024 bepaald dat verzoeker wordt uitgeschreven als werkzoekende, omdat hij geen geldige verblijfsvergunning (meer) heeft waarmee hij mag werken in Nederland. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat het spoedeisend belang erin is gelegen dat verzoeker graag zelf in de kosten van zijn levensonderhoud wil voorzien door te werken en geen aanspraak wenst te maken op een uitkering. Na de uitschrijving als werkzoekende kan verzoeker geen inkomsten genereren, zodat hij van zijn spaargeld in zijn levensonderhoud moet voorzien.
3.1
Op 17 april 2024 heeft de voorzieningenrechter verzoeker verzocht om te onderbouwen (zo mogelijk met stukken) welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen. Hierbij is uitdrukkelijk gevraagd of verzoeker kan aangeven of hij al een bijstandsaanvraag heeft gedaan en, zo nee, waarom niet. In reactie daarop heeft verzoeker aangegeven dat hij sinds lange tijd geen middelen van bestaan meer heeft. Verzoeker heeft geen bijstandsuitkering aangevraagd, omdat hij volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst geen rechthebbende is in de zin van artikel 11 van de Participatiewet. Verzoeker wenst in ieder geval weer arbeid te verrichten, dan wel drie maanden een WW-uitkering te verkrijgen. Na afloop van de WW-uitkering kan verzoeker eventueel stappen ondernemen voor het aanvragen van een bijstandsuitkering. Verder geeft verzoeker aan dat hij in een woning met een andere bewoner woont die werkzaam is. Verzoeker heeft al een werkgever gevonden maar hij kan alleen werkzaamheden verrichten met een tewerkstellingsvergunning en de aanvraag van die vergunning duurt minimaal 5 weken.
4. Verweerder wijst erop dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een spoedeisend belang.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker, ook na daartoe door de voorzieningenrechter te zijn verzocht, zijn stellingen in het geheel niet heeft onderbouwd met stukken, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat er geen sprake is van een acute noodsituatie. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verzoeker heeft aangegeven dat hij spaargeld heeft waarmee hij in zijn levensonderhoud voorziet. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat het hem bevreemdt dat verzoeker – zoals hij zelf aangeeft – na afloop van een WW-uitkering (van drie maanden) wel bereid is om stappen te ondernemen voor het aanvragen van een bijstandsuitkering, maar nu nog niet.
6. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.