Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:8826
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,521 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21248
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 31 mei 2024 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. Tevens is een tolk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 april 2024 (in de zaak NL24.15387) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 19 april 2024.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten van partijen
4. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt en omdat zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser is eerder uitgezet naar Frankrijk en Spanje en er is geen informatie verkregen bij de Franse of Spaanse autoriteiten. Verder dient de staatssecretaris inzicht te verschaffen in het aantal uitzettingen naar Algerije, waarbij de categorie gedwongen uitzettingen uitgesplist dient te worden naar gedocumenteerde en ongedocumenteerde vreemdelingen. Het oordeel van de Afdeling van 6 mei 2024 heeft volgens eiser alleen betrekking op Algerijnen die in het bezit zijn van enige vorm van documentatie en hij is ongedocumenteerd. Onder die omstandigheden is er volgens eiser geen reëel zicht op uitzetting.
4.1.
De staatssecretaris stelt dat wel degelijk navraag is gedaan bij de Franse en Spaanse autoriteiten, maar dat dit zonder resultaat is gebleven. Het is aan eiser om mee te werken aan zijn vertrek naar het land van herkomst. Verder heeft de staatssecretaris verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, waaruit volgens de staatssecretaris blijkt dat er zicht op uitzetting is naar Algerije. Daarbij heeft de staatssecretaris ter zitting gewezen op de cijfers over periode van 1 januari 2024 tot en met 30 april 2024 betreffende het aantal lp-aanvragen bij de Algerijnse autoriteiten (202), het aantal nationaliteitsbevestigingen (65) en het aantal verkregen lp’s (25).
Oordeel rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. Verweerder heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek in de vorige procedure een keer gerappelleerd op de lp-aanvraag, te weten op 7 mei 2024 en een vertrekgesprek met eiser gevoerd, te weten op 13 mei 2024. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Eiser kiest er voor om dat niet te doen. Daarmee belemmert hij zijn uitzetting en is het zicht op uitzetting in beginsel gegeven. Er is ook verder geen reden (meer) om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. De rechtbank wijst op de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 6 mei 2024 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de stelling dat dit niet heeft te gelden voor ongedocumenteerde vreemdelingen zoals eiser. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar andere uitspraken van deze zittingsplaats. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7067. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te concluderen dat de Algerijnse autoriteiten geen lp aan eiser zullen verstrekken.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:1892