Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:8602
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
937 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19945
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2023 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een machtiging tot voorlopig verblijf niet in behandeling genomen.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 9 april 2024 heeft verweerder op het bezwaar beslist. Verzoeker heeft op 9 april 2024 het verzoek tot voorlopige voorziening ingetrokken met het verzoek tot het veroordelen van verweerder in de proceskosten.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel. 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was.
3. In zijn beschikking op het bezwaar heeft verweerder gesteld dat het primaire besluit is herroepen, maar dat deze niet onrechtmatig was. Verweerder heeft om die reden ook geen aanleiding gezien tot vergoeding van de proceskosten voor de behandeling van verzoekers bezwaar.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gegrondverklaring van het bezwaar berust op feiten en omstandigheden van na het instellen van een verzoek om een voorlopige voorziening. Aan verzoeker is een vergunning verleend met ingang van 24 maart 2024. Op die datum is namelijk aangetoond dat verzoeker aan alle voorwaarden voldeed voor de door hem gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder is niet aan het bezwaar van verzoeker tegemoet gekomen vanwege een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid. Dat desondanks sprake zou zijn van een onrechtmatigheid volgt niet onmiskenbaar uit de gronden van het verzoek. Gelet hierop is er geen sprake van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.