Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:8576
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6156
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 22 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Bakker).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om een dwangsom van € 2.500, - in te vorderen. Deze dwangsom is ingevorderd omdat eiser niet heeft voldaan aan de hem opgelegde last wegens het zonder omgevingsvergunning realiseren van een dakopbouw op de eerste etage van het pand aan de [adres] in [plaats] (de dakopbouw).
1.1.
Bij besluit van 21 april 2023 (het primaire besluit) is verweerder overgegaan tot invordering van de dwangsom. Met het besluit van 9 augustus 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn zoon en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard, omdat de gronden van het bezwaar volgens verweerder geen betrekking hadden op de invordering van de dwangsom.
3. Eiser betoogt dat hij een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend ter legalisatie van de dakopbouw. De technische tekening die nodig was om de aanvraag compleet te maken, is niet tijdig ingediend door de architect. Uiteindelijk is deze tekening alsnog ingediend. Daarom had verweerder volgens eiser moeten afzien van invordering van de dwangsom. Eiser verzoekt verder om de begunstigingstermijn van de last te verlengen. Verder vindt eiser dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase.
4. Niet in geschil is dat sprake is van een overtreding en dat eiser niet vóór het einde van de begunstigingstermijn heeft voldaan aan de opgelegde last onder dwangsom. Daarmee staat vast dat eiser de dwangsom van € 2.500, - heeft verbeurd. Verlenging van de begunstigingstermijn is niet langer mogelijk, nu deze termijn al is verstreken. Verweerder was daarom bevoegd om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het ligt op de weg van de belanghebbende om dergelijke omstandigheden onder de aandacht van het bestuursorgaan te brengen. Zoals volgt uit rechtspraak van de Afdeling, is het wel van belang dat het bestuursorgaan de belanghebbende hiertoe de gelegenheid biedt. Dat brengt mee dat het bestuursorgaan, alvorens tot invordering over te gaan, de belanghebbende op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid stelt te worden gehoord.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser in deze zaak ten onrechte niet gehoord voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit. De rechtbank volgt verweerder niet in diens standpunt dat het horen voorafgaand aan het primaire besluit in dit geval achterwege kon blijven, omdat eiser eerder de gelegenheid heeft gehad zijn zienswijze te geven en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Die geboden zienswijzemogelijkheid betrof immers de voorgenomen last onder dwangsom en niet de invorderingsbeschikking.
5.2.
Verweerder had het ten onrechte achterwege laten van het horen op grond van artikel 4:8 Awb in de bezwaarfase kunnen herstellen. Dit is echter niet gebeurd omdat verweerder er met toepassing van artikel 7:3 van de Awb van heeft afgezien om eiser in de bezwaarfase te horen. Dit betekent dat eiser in de bestuurlijke procedure op geen enkel moment de gelegenheid heeft gehad om aan verweerder mondeling toe te lichten of sprake was van bijzondere omstandigheden die mogelijk aan invordering van de verbeurde dwangsom in de weg zouden staan. Het bestreden besluit is daarmee niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het betoog slaagt.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
6.1.
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Hiertoe is van belang dat eiser ter zitting voldoende in de gelegenheid is gesteld om alsnog toe te lichten of sprake is van bijzondere omstandigheden die aan invordering van de verbeurde dwangsom in de weg staan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die bijzondere omstandigheden er niet. Door eiser is gesteld dat hij niet in staat is tot het betalen van de verbeurde dwangsom. Nu eiser deze stelling in het geheel niet heeft onderbouwd, kent de rechtbank hieraan geen gewicht toe. Bovendien heeft verweerder toegelicht dat desgewenst de mogelijkheid van een betalingsregeling bestaat, zodat eiser het verschuldigde bedrag niet in één keer hoeft te betalen als hij dat niet kan.
6.2.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van invordering moet worden afgezien, bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Dat betekent dat eiser de verbeurde dwangsom aan verweerder moet betalen. Als eiser het bedrag niet in één keer kan betalen, zal hij met verweerder in overleg moeten treden om afspraken te maken over een betalingsregeling.
7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 augustus 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ciftci-Ibis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1905).
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2956).