Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:8452
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,512 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12813
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Kupelian , als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Lamnadi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke gronden niet heeft betwist. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring in beginsel dragen.
4. Eiser stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De einddatum van eisers strafrechtelijke detentie was heel duidelijk, op verweerder rust een inspanningsverplichting en verweerder had uitzettingshandelingen moeten verrichten. Voorafgaande aan de strafrechtelijke detentie zat eiser immers ook al in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
4.1
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser is aansluitend aan de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf (van 22 februari 2024 tot en met 23 maart 2024) in vreemdelingenbewaring genomen. Gedurende de strafrechtelijke detentie rustte op verweerder een inspanningsverplichting. Verweerder heeft op 5 maart 2024 de autoriteiten van Marokko verzocht de identiteit en nationaliteit vast te stellen en daarbij meegestuurd een verzoek om afgifte van een laissez-passer, ondertekend op 27 februari 2024, en de vingerafdrukken van eiser. Verder heeft verweerder het Openbaar Ministerie verzocht of bezwaar bestaat tegen het vertrek van eiser. Ten slotte heeft verweerder op 18 maart 2024 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Aldus heeft verweerder voldoende invulling gegeven aan de op hem rustende inspanningsverplichting.
Anders dan eiser betoogt was verweerder tijdens een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw noch tijdens strafrechtelijke detentie gehouden om voortvarend te handelen aan de uitzetting van eiser.
5. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat verweerder met een lichter middel kan volstaan.
5.1
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De niet bestreden gronden van de maatregel van bewaring veronderstellen dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Marokko. Een lichter middel zoals een meldplicht biedt dan ook onvoldoende garantie dat eiser daadwerkelijk naar Marokko zal vertrekken.
Verder heeft verweerder eisers medische problematiek voldoende meegewogen en terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onevenredig bezwarend maken. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg en er mag van uit worden gegaan dat deze gelijk is aan de zorg in de vrije maatschappij. Gesteld noch gebleken is dat de medische zorg in het detentiecentrum voor eiser niet beschikbaar of onvoldoende is. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
6. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring
onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van
K. van Bussel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie RvS 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271.
Zie RvS, 23 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:352
Zie HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.