Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:8314
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,133 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38860
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.E. Beket).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘studie’.
1.1.
Met het besluit (het primaire besluit) van 3 mei 2023 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning met als doel ‘studie’ ingetrokken en heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Met het bestreden besluit van 30 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking van eisers verblijfsvergunning en het opleggen van het terugkeerbesluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is op 1 augustus 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning met als doel ‘studie’. Per 1 mei 2022 heeft verweerder deze verblijfsvergunning ingetrokken. Op deze datum heeft de onderwijsinstelling eiseres namelijk afgemeld vanwege onvoldoende studievoortgang. Verweerder heeft een terugkeerbesluit opgelegd omdat eiseres geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Eiseres moet de Europese Unie verlaten en terugkeren naar Bangladesh. Vanwege het terugkeerbesluit heeft verweerder eiseres gesignaleerd in het Schengen Informatiesysteem Systeem (hierna: SIS).
Waarom is eiseres het niet eens met het bestreden besluit?
3. Volgens eiseres is de beschikking in strijd met de doelstelling van Richtlijn 2016/801 (hierna: Studierichtlijn) nu deze richtlijn ten doel heeft migratie juist te stimuleren en administratieve belemmeringen in dat kader te verminderen. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte eisers individuele omstandigheden niet betrokken bij de beoordeling terwijl hij deze verplichting wel heeft gelet op artikel 21, zevende lid, van de Studierichtlijn. Verweerder kan in dat kader niet volstaan met een verwijzing naar de beoordeling van onderwijsinstelling van de studievoortgang die voldoende is volgens de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 26 april 2018. Hierbij is van belang dat ten tijde van deze uitspraak de implementatietermijn van de Studierichtlijn nog niet was verstreken waardoor geen rechtstreeks beroep kon worden gedaan op artikel 21, zevende lid, van de Studierichtlijn. Tot slot had verweerder zich op grond van artikel 21 van de Verordening 2018/1861 voorafgaand aan de SIS-signalering moeten beraden of de signalering gerechtvaardigd wordt door de gepastheid, de relevantie en het belang van de zaak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Doel van de Studierichtlijn
4. De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning niet in strijd is met het doel van de Studierichtlijn. Dat verweerder gelet op die richtlijn soepeler met de toelating van buitenlandse studenten om zou moeten gaan, betekent niet dat verweerder niet de eis mag stellen dat eiseres bij een erkende onderwijsinstelling staat ingeschreven. Niet in geschil is dat eiseres al sinds mei 2022 niet meer aan deze voorwaarde voldoet.
Individuele omstandigheden
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met de individuele omstandigheden van eiseres. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat uit artikel 21, zevende lid, van de Studierichtlijn volgt dat verweerder zelf de studievoortgang moet beoordelen. De hoogste bestuursrechter heeft in zijn uitspraak van 26 april 2018, geoordeeld dat het aan de onderwijsinstelling is om toezicht te houden op de studievoortgang. De rechtbank overweegt dat artikel 21, zevende lid, van de Studierichtlijn niet aan deze systematiek in de weg staat. Dat uit artikel 21, zevende lid, van de Studierichtlijn volgt dat verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning rekening moet houden met de specifieke omstandigheden van het geval betekent niet dat verweerder de persoonlijke omstandigheden die hebben geleid tot de beëindiging van de studie opnieuw ten volle moet heroverwegen. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 8 maart 2023 en 12 april 2024. In al deze zaken was de implementatietermijn verstreken ten tijde van het bestreden besluit waardoor het mogelijk was om een beroep te doen op artikel 21, zevende lid, van de Terugkeerrichtlijn. Aan het standpunt van eiseres dat ten tijde van de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 26 april 2018 nog geen beroep kon worden gedaan op artikel 21, zevende lid, van de Studierichtlijn komt dan ook geen betekenis toe. Dat de taak om de persoonlijke omstandigheden die hebben geleid tot de beëindiging van de studie te beoordelen exclusief toekomt aan de onderwijsinstelling is naar het oordeel van de rechtbank ook in het belang van de vreemdeling nu de onderwijsinstelling meer zich heeft op het programma dat de student volgt en de persoonlijke omstandigheden die de student mogelijk kunnen hebben belemmerd in zijn studievoortgang. Artikel 21, zevende lid, van de Studierichtlijn betekent hooguit dat verweerder bij de intrekking een afweging moet maken in het kader van de evenredigheid waarbij omstandigheden worden meegewogen die niet door de onderwijsinstelling zijn beoordeeld. Dat heeft verweerder in het geval van eiseres ook gedaan in het kader van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover zij belangen heeft gesteld. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om af te wijken van de beleidsregels. Die motivering acht de rechtbank deugdelijk en voldoende.
SIS-signalering
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven beoordelen of de signalering gerechtvaardigd is. Eiseres verwijst in dit verband naar artikel 21 van de Verordening 2018/1861. Deze Verordening ziet echter op de instelling, de werking en het gebruik van het SIS op het gebied van grenscontroles en is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet van toepassing. Verder overweegt de rechtbank dat in artikel 3, eerste lid van de Verordening 2018/1860, dwingend is voorgeschreven dat de lidstaten verplicht zijn een vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Verweerder was dus ook in het geval van eiser verplicht om het terugkeerbesluit te registreren.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de verblijfsvergunning van eiseres heeft kunnen intrekken en een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1425.
Verordening (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1425.
ECLI:NL:RVS:2023:903.
ECLI:NL:RVS:2024:1543 en ECLI:NL:RVS:2024:1461.