Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:8206
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,677 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2607
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] en [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. A. Aïssal),
en
de burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Markerink en S.G. Price).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Hof Wonen te Den Haag.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van verweerder om de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] voor de duur van drie maanden te sluiten.
1.1.
Met het bestreden besluit van 8 april 2024 heeft verweerder de woning voor de duur van drie maanden gesloten. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt bij verweerder en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 21 december 2023 heeft verweerder een bestuurlijke rapportage ontvangen over de [adres] in [plaatsnaam] . Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie over een lange periode heeft geconstateerd dat er sprake is van handel in drugs in en rondom de woning van verzoekers. Op 24 oktober 2023 is de politie voor het eerst de woning binnengetreden. Daar is in totaal 25,5 gram cocaïne, verpakkingsmaterialen en een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen. Na het versturen van het voornemen tot sluiting heeft verweerder op 3 april 2024 nog een tweede bestuurlijke rapportage ontvangen. Uit deze tweede rapportage blijkt dat de heer [verzoeker] (hierna: verzoeker) ook na het ontvangen van het voornemen nog in verband kan worden gebracht met de handel in drugs. Verzoeker is op 6 maart 2024 aangehouden voor handel van harddrugs vanuit de woning. Deze twee bestuurlijke rapportages zijn voor verweerder reden geweest om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De daadwerkelijke sluiting van de woning is opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Wat vinden verzoekers?
3. Verzoekers stellen zich kort gezegd op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is om over te gaan tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is zelf verslaafd aan drugs, alle aangetroffen goederen zijn in zijn geval voor eigen gebruik. De aangetroffen hoeveelheid is niet ongebruikelijk voor een veel gebruiker. Het is ook niet voor niets dat deze aangetroffen hoeveelheid in het strafrecht in het algemeen wordt afgedaan met een geldboete. Daarbij komt dat de bestuurlijke rapportage alleen zeer summiere informatie bevat op basis waarvan niet tot de conclusie gekomen kan worden dat er sprake is van handel in drugs vanuit de woning van verzoekers. Er is ook helemaal geen sprake van een verstoring van de openbare orde, het dossier bevat geen klachten van omwonenden of andere meldingen. Verzoekers zien dan ook geen noodzaak tot sluiting van de woning. Dit zeker omdat door verweerder niet adequaat gehandeld is. Er zit namelijk een lange periode tussen de constatering en het daadwerkelijke besluit tot sluiting wat een ernstige afbreuk doet aan de noodzakelijkheid. Verder stellen verzoekers dat mevrouw [verzoekster] (hierna: verzoekster) en het minderjarige kind van verzoekers dakloos dreigen te worden door de sluiting (verzoeker zelf bevindt zich op dit moment nog in voorarrest). Verzoekers beschikken niet over de financiële middelen of het sociale vangnet om zelf voor vervangende woonruimte te zorgen. Deze gevolgen zijn zeker voor verzoekster en haar minderjarige kind niet evenredig. Verzoekster heeft niks te maken met de handel in drugs en was hier ook niet van op de hoogte. Zij en haar minderjarige kind betalen nu de prijs voor het gedrag van verzoeker. Hierbij speelt nog mee dat verzoekers een bijzondere binding met de woning hebben.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is verweerder bevoegd om tot sluiting over te gaan?
3.1.
De voorzieningenrechter merkt op dat verweerder bevoegd is om artikel 13b van de Opiumwet toe te passen indien aannemelijk is dat in een woning drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig zijn. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel (ook) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder ook bevoegd is om een woning te sluiten indien geen handelshoeveelheid drugs zijn aangetroffen in de woning, maar op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de woning.
3.2.
In het geval van verzoeker stelt de voorzieningenrechter vast dat er een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen in de woning. Bij de doorzoeking van 24 oktober 2023 is 25,5 gram cocaïne aangetroffen. Dit is veel meer dan de 0,5 gram harddrugs waarbij nog wordt aangenomen dat het voor eigen gebruik bestemd is. Bij een tweede doorzoeking van de woning op 6 maart 2024 zijn nog eens vier bolletjes en vier ponypacks met cocaïne aangetroffen. Voor zover verzoeker stelt dat hij een grootgebruiker is merkt de voorzieningenrechter op dat uit de bestuurlijke rapportage weldegelijk blijkt dat in de woning van verzoeker drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt. In de bestuurlijke rapportage is uitgebreid beschreven dat de woning gedurende een lange periode veelvuldig en vaak kortdurend werd bezocht door een groot aantal personen. Een aantal van deze personen zijn voor de woning of in de buurt van de woning aangehouden. Zij hadden drugs bij zich. Op 6 maart 2024 is door een van de personen ook verklaard dat hij de drugs heeft gekocht bij verzoeker. Verzoeker zelf is meerdere keren aangehouden met drugs op zak. Ook is er op 10 februari 2024 een Meld Misdaad Anoniem (MMA)melding binnengekomen over verzoeker. Hierin staat dat er vanuit de woning aan de [adres] in cocaïne wordt gedeald. Het telefoonnummer van verzoeker is genoemd in die melding.
Daarbij komt dat de telefoon van verzoeker in beslag is genomen. De politie heeft onderzoek gedaan naar deze telefoon en meerdere chatgesprekken aangetroffen. Van de 715 chatgespreken blijkt dat bijna alle gesprekken gaan over de bestelling van harddrugs. Verzoeker stuurt foto’s van stapels geld en een voorraad drugs in zijn keuken. Ook is er een groot aantal berichten aangetroffen met bestellingen van harddrugs. Verzoeker spreekt dan vaak thuis of in de omgeving van de woning af met zijn klanten. Verzoeker bevindt zich sinds 6 maart 2024 in voorlopige hechtenis.
3.3.
Hetgeen verzoeker verder heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten om aan de rapportage te twijfelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dan ook aannemelijk dat in de woning van verzoekers drugs werden verhandeld. Verweerder was bevoegd om de woning te sluiten op grond van de Opiumwet.
Is de sluiting van de woning noodzakelijk?
4. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting van de woning moet worden bekeken of verweerder met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een sluiting van de woning noodzakelijk is. Dit gelet op de aangetroffen harddrugs, de chatgesprekken, de verklaring van drugsgebruikers en de constateringen van de politie. Ook is er weldegelijk sprake van “loop” naar de woning. Uit de politierapportage blijkt dat de politie meerdere keren heeft geconstateerd dat er in de portiek van de woning contact plaatsvindt tussen verzoeker en zijn klanten. Deze bevindingen worden ondersteund door de chatberichten op de telefoon van verzoeker, uit die berichten blijkt dat er meerdere afspraken worden gemaakt in en rondom de woning gemaakt. Ook is er een MMA melding over verzoeker. De sluiting is dan ook noodzakelijk om de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen en de woning aan het drugscircuit te onttrekken. Er sprake is van een dermate ernstig geval, waardoor verweerder niet met een minder ingrijpende maatregel kon volstaan om de genoemde doelen te bereiken. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de politie op zitting heeft toegelicht dat het hier gaat om een kwetsbare wijk waar vaker sprake is van druggerelateerde problematiek.
Conclusie
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bezwaar waarschijnlijk niet tot een andersluidend besluit leiden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
verzoekers verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6254.
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2400.