Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:8077
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,788 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20193
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 25 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De staatssecretaris heeft op 6 mei 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 april 2024 (in de zaak NL24.14463) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 april 2024.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de bewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Standpunten eiser
3. Eiser stelt dat de bewaring onrechtmatig is. Eiser stelt dat hij uit de voortgangsrapportage opmaakt dat de bewaring met ingang van 6 mei 2024 is opgeheven, maar dat hij zich in ieder geval op 10 mei 2024 nog in het detentiecentrum bevond. Eiser stelt voorts dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt. Hiertoe voert eiser aan dat er geen reden is gegeven voor het langer in bewaring houden nu de belangenafweging van 6 mei 2024 in zijn voordeel is uitgevallen. Voorts voert eiser aan dat het laatste schriftelijke rappel van 16 april 2024 is. Eiser stelt dat de staatssecretaris op die datum een belangenafweging in zijn voordeel had moeten maken nu de omstandigheden tussen 16 april 2024 en 6 mei 2024 niet zijn gewijzigd.
Oordeel rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris tot aan de opheffing van de maatregel voldoende voortvarend heeft gehandeld. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek één keer gerappelleerd, te weten op 16 april 2024 en heeft één vertrekgesprek met eiser gevoerd, te weten op 17 april 2024. De bewaring is opgeheven op 6 mei 2024 en eiser is aansluitend in strafrechtelijke detentie geplaatst. De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat de schriftelijke rappels worden gedaan in een driewekelijkse cyclus en dat drie weken na 16 april 2024, te weten op 6 mei 2024, een belangenafweging is gemaakt die in het voordeel van eiser is uitgevallen, nadat er geen reactie was gekomen vanuit de Marokkaanse autoriteiten op het schriftelijke rappel. Ter zitting heeft de staatssecretaris verder toegelicht dat op 6 mei 2024 door de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) is gevraagd of eiser nog (straf)zaken open had staan. Op diezelfde dag heeft het CJIB laten weten dat eiser nog een straf open had staan, welke hij zou moeten uitzitten voor hij in vrijheid zou worden gesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen van de staatssecretaris te twijfelen en acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Niet is gebleken dat door de autoriteiten van Marokko in het algemeen of voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog geen lp hebben verstrekt is onvoldoende voor de conclusie dat zicht op uitzetting in het individuele geval van eiser ontbreekt. Voorts overweegt de rechtbank dat de opheffing van de maatregel van bewaring is gelegen in een belangenafweging die in het voordeel van eiser is uitgevallen. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is voor het oordeel dat de staatssecretaris eerder dan 6 mei 2024 tot de conclusie had moeten komen dat de belangen van eiser zwaarder wegen dan de belangen van de staatssecretaris. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er op 16 april 2024 nog was gerappelleerd op de lp-aanvraag, dat de Marokkaanse autoriteiten niet hebben aangegeven dat geen lp aan eiser zal worden verstrekt en dat de staatssecretaris enige tijd mag worden gegund de reactie op een rappel af te wachten.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris aan eiser terecht geen lichter middel heeft opgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij niet wil terugkeren naar Marokko en dat eiser dus niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zijn eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraken van de Afdeling 14 november 2022 met nummer ECLI:NL:RVS:2022:3269 en 8 augustus 2023 met nummer ECLI:NL:RVS:20233033).