Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:8026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,712 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.2046 en NL24.2047
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres [minderjarige] , V-nummer: [V-nummer 3] , dochter (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Inleiding
1. Eisers hebben op 24 september 2022 allebei een verblijfsvergunning asiel gevraagd. In dit kader heeft met beide een aanmeldgehoor en een nader gehoor plaatsgevonden. In reactie op de verslagen hiervan hebben eisers correcties en aanvullingen ingediend.
2. Verweerder heeft op 21 juni 2023 voornemens uitgebracht. Hier hebben eisers op gereageerd met de zienswijze van 22 juni 2023. Daarna heeft verweerder op 23 juni 2023 besluiten genomen op de asielaanvraag van eisers. Deze besluiten zijn echter op 24 juli 2023 ingetrokken.
3. Vervolgens heeft verweerder op 3 november 2023 nieuwe voornemens uitgebracht, waar eisers met de zienswijze van 1 december 2023 op hebben gereageerd. Met de besluiten van 22 december 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder uiteindelijk de asielaanvragen van eisers afgewezen.
4. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen op 2 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers deelgenomen, met hun dochter, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig tolk D.P. Narrete.
Asielrelaas van eisers (in essentie weergegeven)
5. Eisers stellen dat zij de Colombiaanse nationaliteit hebben en zijn geboren op [geboortedatum 1] 1969 (eiser) en [geboortedatum 2] 1979 (eiseres). Hun dochter is geboren op [geboortedatum 3] 2008.
6. Zowel eiser als eiseres leggen aan hun asielrelaas ten grondslag dat zogeheten post FARC milities in oktober 2021 hebben geprobeerd hun dochter te rekruteren.
7. Specifiek aan het relaas van eiser is dat hij in 2004 zou zijn opgepakt vanwege valse beschuldigingen en in 2005 weer zou zijn vrijgelaten. Daarnaast heeft eiser verklaard over verschillende familieleden die problemen met de FARC hebben ondervonden. Zo zou eisers broer zijn gerekruteerd in 1982 en zijn vader zijn vermoord in 1993. Ook stelt eiser dat zijn zoon (niet de zoon van eiseres ) in 2005 door de FARC is gerekruteerd, maar in 2006 heeft weten te ontsnappen.
8. Eiseres heeft voor haar situatie aangevoerd, dat haar neven door de FARC zijn gerekruteerd tussen 1997 en 1999. Daarnaast heeft eiseres zelf nare ervaringen. Zij heeft zich later in 2005 en 2006 gedwongen moeten verplaatsen als gevolg van het conflict tussen de Colombiaanse overheid en de FARC.
Inhoud bestreden besluiten en voornemens (in essentie weergegeven)
9. Verweerder acht alle relevante elementen uit het asielrelaas van zowel eiser als eiseres geloofwaardig. Volgens verweerder komen eisers echter niet voor een asielvergunning in aanmerking, omdat hun reden om te vluchten niet te relateren is aan de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Ook stelt verweerder dat eisers bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade lopen. De vrees hiervoor is niet aannemelijk gemaakt en de Colombiaanse overheid kan bescherming bieden.
10. Het is volgens verweerder niet aannemelijk dat eisers nog te vrezen hebben van de post FARC. Sinds de vredesonderhandelingen in 2016 heeft de FARC het geweld afgezworen en zich omgevormd tot politieke partij. Er is enkel nog een minderheid aan oud FARC-leden die weigert de wapens neer te leggen, zogeheten post-FARC milities. Het is, ondanks de nare gebeurtenissen uit het verleden, niet aannemelijk dat de huidige milities het op eisers persoonlijk gemunt hebben. Ook niet als eisers verplicht waren vanwege het zijn van landbouwer naar twee bijeenkomsten te gaan van de lokale militie. Hieruit volgt namelijk niet dat zij persoonlijk in de aandacht stonden.
Verweerder neemt ook aan dat de dochter van eisers is aangesproken door de milities, maar persoonlijke vrees hierdoor is niet aannemelijk geworden. Eiser noemt namelijk meerdere personen en groeperingen (La Segunda Marquetaila en Nueva Marquitalia) en verklaart hierover wisselend. De militie die volgens eiser het gebied waar het gezin woonde (het departement Meta) onder controle had (volgens hem La Segunda Marquetaila) is blijkens openbare bronnen niet actief in dit departement. Ook de verwijzing van eisers naar algemene informatie, over geweld en moord op kinderen vanwege rekruteringen, maakt de vrees dat dit hun dochter zal overkomen niet aannemelijk. Zij was immers nog niet gerekruteerd. Ook hebben eisers met hun dochter, nadat zij door de militie was aangesproken (oktober 2021) nog elf maanden probleemloos verbleven in Colombia (tot en met september 2022).
Beoordeling
11. De rechtbank zal de besluitvorming in het navolgende beoordelen aan de hiertegen aangevoerde beroepsgronden.
Vluchtelingschap
12. Eisers vinden het onterecht dat zij niet als vluchteling zijn aangemerkt. Zij stellen dat uit landgebonden beleid volgt dat ook vervolging of een reëel risico op ernstige schade kan uitgaan van (gewapende) groeperingen die landelijk opereren. Aanvullend voeren eisers aan dat zij evangelisten zijn en de FARC heeft samenkomst van deze geloofsstroming verboden. Het is daardoor onmogelijk om veilig te wonen in gebied waar post-FARC groeperingen de dienst uitmaken. De weigering van eisers om hun dochter toe te laten treden tot de post FARC militie duidt op een dergelijke tegenstand. Ook is het zo dat jongeren, waaronder de dochter van eisers, als sociale groep in de negatieve belangstelling staan van de FARC. Zij zijn namelijk nog kneedbaar en kunnen worden ingezet bij de gewapende strijd.
13. De rechtbank overweegt dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder meer kan worden verleend aan iemand die kan worden aangemerkt als ‘verdragsvluchteling’. Het gaat hierbij om iemand die in zijn thuisland gegronde vrees heeft voor vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde etnische of sociale groep. Daarbij moet hiertegen geen bescherming zijn in het eigen land. Verweerder heeft kunnen beslissen dat dit wegens problemen met de post-FARC niet het geval is. De FARC bestaat sinds 2016 niet meer in de oorspronkelijke vorm. Het gaat nu om regionaal opererende groepen die niet door het hele land actief zijn.1 De problemen uit het verleden maken eisers hierdoor niet automatisch tegenstander. Daarnaast heeft eiser in het nader verhoor verklaard dat hij geen politieke overtuiging heeft. Uit de weigering van de dochter van eisers om toe te treden tot de post-FARC militie volgt nog niet dat eisers als politiek tegenstander worden gezien in de zin van het verdrag. Hieruit blijkt ook niet dat specifiek de dochter van eisers vanwege haar leeftijd of om andere redenen in de negatieve belangstelling staat van een landelijk actieve groepering. Tot slot overweegt de rechtbank dat de religieuze overtuiging van eisers voor hen niet de reden is geweest om Colombia te verlaten. De beroepsgronden slagen niet en verweerder heeft de relazen mogen toetsen aan de vraag of eisers bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer
14. Eisers vinden het niet zorgvuldig dat verweerder in het voornemen heeft verwezen naar een Spaans rapport zonder vertaling. Dit terwijl de gemachtigde de Spaanse taal niet machtig is. Het landkaartje is weliswaar een visuele bron, maar zonder de tekst als context niet goed te interpreteren.
15. Eiseres voeren verder aan dat verweerder de poging van de post-FARC milities om hun dochter te rekruteren geloofwaardig heeft geacht. Eisers staan als landeigenaren in een register dat in handen is van de lokale milities. Zij zijn er daarom van overtuigd dat hun dochter niet willekeurig is benaderd. Volgens eisers worden jongeren die zich onttrekken aan rekrutering geliquideerd om zo de bevolking angst aan te jagen. Dit gevaar blijkt ook uit een artikel uit 2023, waarin staat dat individuen geen keuze hebben om hun kinderen toe te laten tot de guerrilla’s, omdat zijzelf en hun kinderen anders worden vermoord.2 Voor eisers en hun dochter zijn de risico’s op represailles nog groter vanwege de problemen die zijzelf en familieleden met de FARC hebben ondervonden. Daarbij wilden eisers na het voorval
1. Algemeen Ambtsbericht Colombia maart 2022, pagina 33.
2 Eisers verwijzen onder andere naar een artikel van 1 juni 2023: ‘The Rise of the Colombian Child Soldier’.
met hun dochter wel direct vluchten, maar zij hadden hiervoor niet genoeg geld. Vanwege het gevaar hebben zij toen een tijd ondergedoken gezeten. Hun dochter kon niet naar school en eiseres kwam nauwelijks buiten. Eiser heeft wel gewerkt, maar op grote afstand. Hij bezocht het gezin enkel in het weekend en in het donker.
Al met al is er dus wel degelijk een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Colombia. Daarbij is er geen vestigingsalternatief en kan de overheid geen effectieve bescherming bieden, aldus eisers.
16. De rechtbank overweegt dat verweerder heeft verwezen naar een landkaart ter illustratie van de locatie waar bepaalde milities aanwezig zijn. De rechtbank ziet hierin als zodanig geen probleem. Eiser zelf heeft verklaard dat hij niet weet welke groepering zijn dochter heeft lastiggevallen en dat hij in meer algemene zin de tweede lichting van de Farc heeft bedoeld. Nu niet in geschil is dat eiser niet de exacte militie kan benoemen en het desbetreffende Spaanstalige rapport (afgezien van het landkaartje) niet betrokken is bij de besluitvorming worden geen gevolgen verbonden aan de afwezigheid van een vertaling.
17. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder niet ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat eisers hebben te vrezen voor een bij artikel 3 EVRM verboden behandeling. Dit omdat op de personen van eisers gerichte negatieve aandacht van een post Farc militie niet aannemelijk is geworden.
Bij de beoordeling mocht verweerder betrekken dat eisers na het voorval met hun dochter (oktober 2021) nog elf maanden zonder concrete problemen met de desbetreffende post Farc
-groep in Colombia hebben verbleven (tot en met september 2022). Het was ook niet echt verscholen want het gezin verbleef bij oma/(schoon)moeder in hetzelfde gebied in Colombia als waar eisers zelf woonden. Ook kon eiser naar zijn werk reizen. Verder mocht verweerder concluderen dat er geen duidelijk verband is gebleken tussen de vroegere gebeurtenissen (van vóór 2006) waaronder problemen met de oude FARC en de poging tot rekrutering in 2021 van post-FARC milities. Niet is gebleken dat eisers of hun dochter in de persoonlijke aandacht staan. Dit volgt ook niet uit de gegevens in het register ‘La Junta Accion Communal’, waar volgens eisers veel informatie over al het land en de landeigenaren in staat (hoeveelheid boerderijen, grootte van de boerderijen, typen gewassen, dieren en bewoners). Nu gedurende bijna een jaar lang niet is gebleken van negatieve belangstelling van de zijde van de post-Farc voor eisers, duidt dit niet op specifieke aandacht voor eisers. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat eisers eventueel bescherming kunnen vragen van de Colombiaanse autoriteiten. Dit kan eventueel elders in Colombia. Niet gebleken is dat de algemene informatie uit het algemeen ambtsbericht dat in de steden de bescherming naar behoren werkt, onjuist is.
Was het onderzoek volledig (artikel 3 EVRM)?
18. Eisers voeren verder nog aan dat hun dochter ten onrechte niet is gehoord. Dit terwijl juist wat zij heeft meegemaakt met de post-FARC de reden is van hun vlucht uit Colombia.
19. Verweerder stelt dat eisers als ouders hebben verteld wat hun dochter heeft meegemaakt. Nu hij dit geloofwaardig acht, was er geen reden om ook de dochter nog te horen.
20. Eisers doelen er met name op dat de dochter naar voren heeft gebracht dat zij op haar route naar huis bewust werd opgewacht, dat de personen zich voorstelden en eruit zagen als leden van de FARC. Zij lieten tijdens het gesprek blijken dat zij exact wisten waar zij
vandaan kwam en wie haar ouders waren en waar zij woonde. Ze stellen dat hiermee duidelijk is dat de FARC wel degelijk persoonlijke belangstelling had voor eisers.
21. Verweerder heeft hierover terecht naar voren gebracht dat hiermee in de beoordeling rekening is gehouden. De relazen van eisers zijn geloofwaardig geacht. Eiser heeft deze omstandigheden, waaruit volgens eisers de persoonlijke negatieve aandacht blijkt, ook met zoveel woorden in zijn nader gehoor naar voren gebracht (ng p.
Conclusie
24. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Zij krijgen om deze reden geen vergoeding van de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
7 Algemeen Ambtsbericht Colombia maart 2022, pagina 86.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 mei 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.