Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:7889
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,266 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.12835
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1. Met het besluit van 18 maart 2024 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft tegen dit besluit (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Op 5 april 2024 heeft verweerder de rechtbank een brief gestuurd, waarin staat dat is gebleken dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder verzoekt de rechtbank daarom om het te beoordelen of er nog sprake is van procesbelang.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2024 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit het beroep (NL24.12836), op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat dit slechts anders is als de vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij
verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.¹
4. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser met de brief van 15 april 2024 een aantal vragen gesteld ter beoordeling van het procesbelang. Uit de schriftelijke beantwoording van de gemachtigde van eiser blijkt dat zij niet weet waar eiser momenteel verblijft en dat zij eiser op 15 maart 2024 voor het laatst heeft gesproken. Op 29 april 2024 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld dat eiser zich, ondanks herhaaldelijke oproepen, niet bij haar heeft gemeld. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, zoals wordt bedoeld in de in hiervoor genoemde rechtspraak van de Afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit ook dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming in Nederland en geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep betreffende de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Conclusie
5. Eiser heeft geen procesbelang bij zijn onderhavige beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie: de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3988.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van N.J. Biswane, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 mei 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.