Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:779
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,589 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.494
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Inleiding
1. Bij besluit van 8 december 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
De staatssecretaris heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Eiser stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
Terugkeerbesluit
3. Eiser stelt dat er geen sprake is van een terugkeerbesluit waarop een maatregel van bewaring kan worden gebaseerd. In het terugkeerbesluit van 14 maart 2023 is Gambia vermeld, terwijl eiser uit Senegal komt. Een aanvullend terugkeerbesluit, waarin (ook) Senegal is genoemd, is niet genomen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat aan eiser eerder, bij besluit van 14 maart 2023, een terugkeerbesluit is opgelegd met daarin vermeld dat eiser naar Gambia moet terugkeren. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend waardoor het in rechte vaststaat.
3.2.
Eiser heeft op 9 november 2023 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Hij heeft daarbij opgegeven dat hij eerder onjuist heeft verklaard en dat hij niet uit Gambia, maar uit Senegal komt. De staatssecretaris heeft vervolgens in die asielprocedure de door eiser genoemde Senegalese persoonsgegevens overgenomen.
Op 20 november 2023 heeft de staatssecretaris naar aanleiding van de nieuwe asielaanvraag van eiser een voornemen uitgebracht. In dit voornemen is onder andere vermeld dat eiser een terugkeerbesluit wordt opgelegd. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten en hij moet terugkeren naar Senegal. Eiser heeft een zienswijze ingediend en vervolgens is de asielaanvraag bij besluit van 29 november 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarin staat dat eiser in zijn zienswijze niets heeft genoemd over het terugkeerbesluit en de vertrektermijn en dat daarom geen aanleiding bestaat voor een ander oordeel dan in het voornemen is weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris hiermee een aanvullend terugkeerbesluit genomen, met Senegal als het land waarnaar eiser dient terug te keren. Hoewel het wenselijk zou zijn geweest als de staatssecretaris dit in de beschikking expliciet had herhaald, kan bij eiser in redelijkheid geen onduidelijkheid hebben bestaan naar welk land hij moet terugkeren. Dit geldt te meer nu uit de inhoudelijke motivering van de beschikking volgt dat de situatie van eiser in Senegal is beoordeeld. Gelet hierop heeft de staatssecretaris een geldig terugkeerbesluit genomen waarop de maatregel van bewaring kan worden gebaseerd. De beroepsgrond slaagt niet.
De grondslag van de maatregel van bewaring
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris de maatregel van bewaring niet tijdig heeft omgezet. De asielaanvraag van eiser is op 29 november 2023 afgewezen, waarna de maatregel pas op 8 december 2023 is omgezet van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Een beroep op niet tijdige omzetting moet worden gedaan tegen de maatregel waarvan wordt gesteld dat die ten onrechte te laat is omgezet.
De gronden van de maatregel
5. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden (onder meer)vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden (onder meer)vermeld dat eiser:4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
5.1.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Op de zitting heeft eiser ook geen redenen naar voren gebracht die aanleiding zouden kunnen geven de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. In de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens ziet de rechtbank geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Uitreiking maatregel van bewaring
6. Eiser voert in beroep aan dat de staatssecretaris niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. De maatregel is niet in overeenstemming met artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) aan hem uitgereikt.
6.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 november 2023 uiteengezet dat uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000 volgt dat de informatie genoemd in die bepaling schriftelijk in een taal die de vreemdeling verstaat moet worden gegeven. Dit omvat onder meer een plicht om de vreemdeling schriftelijk op de hoogte te brengen van de redenen van de bewaring. De staatssecretaris stelt in dit geval bij het uitreiken van de maatregel van bewaring aan eiser een informatiefolder te hebben uitgereikt in een taal die hij begrijpt. Eiser heeft dit ontkend. Wat daar verder ook van zij, het verstrekken van een informatiefolder is op zichzelf niet voldoende om aan de hiervoor genoemde informatieplicht te voldoen. In een informatiefolder is namelijk slechts algemene informatie opgenomen en informatie over de mogelijkheid van kosteloze rechtsbijstand en van het instellen van een rechtsmiddel. Eiser is daarmee echter niet schriftelijk op de hoogte gebracht van de redenen waarom hij in bewaring is gesteld. Anders dan de staatssecretaris veronderstelt, moeten de redenen van bewaring ook in de schriftelijke informatie op de vreemdeling zijn toegespitst. Uit de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak volgt immers dat er een overzicht moet zijn opgenomen van de van toepassing zijnde juridische en feitelijke gronden van de bewaring. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris niet (volledig) voldaan aan zijn uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000 voortvloeiende informatieplicht.
6.2.
Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring niet zonder meer onrechtmatig. Dat is pas het geval als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen (zie de Afdelingsuitspraak van 15 november 2023).
6.3.
In het geval van eiser is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de vrijheidsontneming gediend zijn. Hierbij is het volgende van belang. De staatssecretaris heeft eiser door middel van een volledig gemotiveerd schriftelijk besluit in bewaring gesteld. In de maatregel van bewaring staan de redenen voor de bewaring vermeld. Bij het uitreiken van de maatregel is eiser weliswaar niet schriftelijk in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat op de hoogte gesteld van de redenen van de bewaring, maar dit betekent niet dat eiser niet wist waarom hij in bewaring is gesteld.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank wijst daarbij op de eerder genoemde de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, r.o. 10.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Vruwink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 januari 2018 ECLI:NL:RVS:2018:67.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
ECLI:NL:RVS:2023:4180.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.