Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:7783
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,380 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.15604 en NL24.15611
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] en [eiser 2], V-nummers: [V nummer 1] en [V nummer 2] , eisers (gemachtigde: mr. S. Wortel),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).
Inleiding
Op 4 april 2024 heeft de staatssecretaris eisers in vreemdelingenbewaring (bewaring) gesteld, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. Deze beroepen worden ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft op 10 april 2024 de maatregelen van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 april 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
1. Eisers hebben de Syrische nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum 1] 1981 respectievelijk [geboortedatum 2] 2010.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De gronden van de maatregelen van bewaring
3. In de maatregelen van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eisers zich aan het
toezicht zouden onttrekken. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eisers:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek; en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
4. Eisers hebben de gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden en de motivering daarvan de maatregelen van bewaring konden dragen.
De voortvarendheid
5. Eisers voeren aan dat er op 23 november 2023 al een claimakkoord tot stand is gekomen met de Oostenrijkse autoriteiten. De staatssecretaris heeft vervolgens pas op 26 januari 2024 beslist dat de asielverzoeken van eisers niet in behandeling worden genomen, en is pas op 4 april 2024 tot inbewaringstelling overgegaan. Volgens eisers heeft de staatssecretaris hiermee onvoldoende voortvarend gehandeld.
6. De beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris is pas gehouden om voortvarend te handelen na de inbewaringstelling, en dus niet vanaf de datum dat eisers
uitzetbaar zijn. In het geval van eisers is er vóór de inbewaringstelling op 4 april 2024 al een vlucht aangevraagd. Daarop is op 20 maart 2024 een vluchtakkoord ontvangen voor 10 april 2024. Eisers zijn op die dag ook overgedragen aan Oostenrijk. Ook is er op 4 april 2024 een vertrekgesprek gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de overdracht van eisers daarmee voldoende voortvarend ter hand heeft genomen.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 mei 2024
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.