Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:7754
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,232 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19336
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: J.C. van de Leuv).
Procesverloop
Verweerder heeft op 20 december 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 10 mei 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 8 april 2024 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Hoewel verweerder al vijfmaal heeft gerappelleerd, heeft dit nog altijd niet geleid tot afgifte van een LP. De LP-aanvraag ligt dus sinds op 22 december 2023 stil. Verder voert eiser aan dat verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel. Eiser heeft in de bijna zes maanden dat hij in bewaring zit nagedacht en hij is bereid zich te houden aan een meldplicht. Bij de beoordeling of een lichter middel kan worden toegepast, is onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke belangen.
5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder regelmatig rappelleert, waarvan het meest recent op 16 april 2024. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen LP zullen afgeven voordat de termijn van zes maanden, genoemd in artikel 59, vijfde lid, van de Vw, is verstreken.
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Uit de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden volgt het risico op onttrekking aan het toezicht, zodat verweerder in de gestelde meewerkende houding van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Dat er inmiddels meer dan vijf maanden verstreken zijn sinds eiser in bewaring is gesteld, maakt dit niet anders.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 5 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:193, 21 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4256 en 9 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5279.
Laissez-passer.