Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:7743
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
945 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
1. Bij besluit van 18 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk. Gelet op het Jawo arrest is het aan eiser om aannemelijk te maken dat Frankrijk hier niet meer aan voldoet. De aangehaalde passages uit het AIDA rapport zijn onvoldoende om te concluderen dat asielzoekers structureel terechtkomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onlangs in haar uitspraak van 9 oktober 2023 nog bevestigd dat voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport over Frankrijk (update 2022) geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers in Frankrijk schetst dan al eerder naar voren is gekomen in de vorige rapportages van AIDA over Frankrijk. Dit is nogmaals bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024. Er zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit zou blijken dat eiser in Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 EVRM.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat, mochten zich problemen voordoen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen, het op de weg van eiser ligt om hierover te klagen bij de Franse autoriteiten. Dat dit niet mogelijk is, is niet aannemelijk gemaakt.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 16 mei 2024 door mr. A. de Gooijer, rechter, in aanwezigheid van K. van Gijtenbeek, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:EU:C:2019:218.
ABRvS, ECLI:NL:RVS:2023:3737.
ABRvS, ECLI:NL:RVS:2024:1863.