Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:7677
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,043 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.17559 en NL22.17561
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2024 in de zaken tussen
[eiseres], v-nummer [nummer],
[eiseres]
, v-nummer [nummer],
samen: eisers
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij [naam] (referent).
1.1.
De staatssecretaris heeft de aanvragen van eisers met het besluit van 17 maart 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 september 2022 op het bezwaar van eisers is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2024, samen met de zaak NL22.17816, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Eisers en hun gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvragen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De beroepen zijn ongegrond. De staatssecretaris mocht de aanvragen van eisers afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
4. De staatssecretaris heeft de aanvragen afgewezen, omdat eisers niet in het bezit zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en ook niet van het mvv-vereiste kunnen worden vrijgesteld. Daarvoor zou vereist zijn dat eisers voor het overige aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning voldoen, maar ook dat is volgens de staatssecretaris niet het geval. Referent heeft namelijk geen verblijfsvergunning in Nederland en zijn aanvraag om een verblijfsvergunning is met het besluit van 17 maart 2022 afgewezen. Deze afwijzing is met het besluit op het bezwaar van referent van 1 september 2022 in stand gebleven.
Mocht de staatssecretaris de aanvragen van eisers afwijzen?
5. Het betoog van eisers dat de staatssecretaris hun aanvragen niet mocht afwijzen, omdat aan hun referent ten onrechte een verblijfsvergunning is geweigerd, slaagt niet. De aanvraag om een verblijfsvergunning door referent is immers afgewezen en bij uitspraak van vandaag heeft deze rechtbank en zittingsplaats die afwijzing in stand gelaten. De staatssecretaris mocht de aanvragen van eisers alleen al om die reden afwijzen.
Conclusie
6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de afwijzing van hun aanvragen in stand blijft. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eisers daarom niet te vergoeden. De staatssecretaris hoeft ook het door eisers betaalde griffierecht niet aan hen te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer NL22.17816.