Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:7535
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,917 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/252565-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 21 mei 2024
Tegenspraak
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van de officier van justitie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
De vordering is – gelijktijdig met de samenhangende strafzaak – behandeld op de terechtzitting van 7 mei 2024 (inhoudelijk).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. T. Nauta op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. H.E. Berman op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 71.337,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3De grondslag voor ontneming
De veroordeelde is op 21 mei 2024 door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens de volgende strafbare feiten:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van deze bewezen verklaarde strafbare feiten. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 7 mei 2024 bij de vordering gepersisteerd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 7 mei 2024 op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten voor de berekening niet juist zijn. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat bij de berekening moet worden uitgegaan dat de veroordeelde minstens vijf dagen per maand vrij heeft genomen en dat hij gemiddeld één gram cocaïne verkocht per deal.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 29.621,41.
De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel maximaal kan worden geschat op een bedrag van € 35.000,00, omdat de veroordeelde op de terechtzitting van 7 mei 2024 heeft verklaard dat hij maximaal dit bedrag heeft ontvangen.
4.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
1. De gebruikte bewijsvoering in het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als bijlage aan dit vonnis gehecht. De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak.
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 8 juli 2023 is opgemaakt, onderdeel van het proces-verbaal PL1500-2022295608 van de politie eenheid Den Haag (p. 446-454).
4.4.
Oordeel van de rechtbank
De door de verdediging aangedragen uitgangspunten en berekening volgt de rechtbank niet. Een aantal vrije dagen van de verdachte is in de berekening in het proces-verbaal ook meegenomen en niet is onderbouwd waarom er per deal 1 gram in plaats van de (wel) onderbouwde 2 gram cocaïne zou zijn verkocht. Dat het bedrag dient te worden vastgesteld op maximaal € 35.000,-, zoals de verdachte heeft verklaard, volgt de rechtbank ook niet. Naast het ontbreken van enige aanknopingspunten om dit bedrag te verifiëren, heeft de verdachte na zijn aanvankelijke verklaring daarover op zitting wisselend verklaard of hij dit bedrag nu voor zichzelf heeft verdiend of deels voor de door hem genoemde opdrachtgever. De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening.
Totale opbrengst
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde gedurende een periode van veertien maanden heeft gehandeld in verdovende middelen, waarvan hij 456 dagen heeft gewerkt. Per dag vonden er gemiddeld 3,64 deals plaats. In totaal hebben er dus 1.659,84 deals plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat gemiddeld twee gram cocaïne per deal is verkocht en dat één gram cocaïne gemiddeld € 50,00 kost. De veroordeelde heeft dus in totaal 3.318 gram cocaïne verkocht, wat maakt dat de totale opbrengst neerkomt op € 165.900.
Totale kosten inkoop
Op basis van de drugsprijzenlijst van de Landelijke Eenheid bedraagt de prijs voor een gram cocaïne € 28,50. De totale kosten voor de inkoop van cocaïne komt dan neer op € 94.563,00.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde bedraagt op basis van het vorenstaande € 71.337,00.
De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
4.5.
Conclusie
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel op een bedrag van € 71.337,00.
5De vaststelling van de betalingsverplichting
5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een bedrag van € 62.643,15 omdat rekening moet worden gehouden met de waarde van de verbeurd verklaarde voorwerpen, te weten de geldbedragen van € 8.498,85 en € 195,00.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op
een lager bedrag dan het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat rekening moet worden gehouden met de waarde van verbeurd verklaarde voorwerpen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals is betoogd door de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte, de bedragen die in de hoofdzaak, te weten € 8.498,85 en € 195,00, in mindering dienen te worden gebracht op de betalingsverplichting.
5.4.
Conclusie
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 62.643,15. De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
6Het toepasselijke wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 62.643,15 (tweeënzestigduizend zeshonderddrieënveertig euro en vijftien eurocent);
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 62.643,15 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.K. Spros, voorzitter,
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K. Zech, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2024.
Bijlage
De bewijsvoering uit het in de strafzaak gewezen onderliggende vonnis van deze rechtbank, voor zover relevant.
I. De bewijsmiddelen
Ten aanzien van dagvaarding feit 2 (09/252565-22):
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 mei 2024;
2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 oktober 2022 (PL1500-2022295608-23);
3. de deskundigenverslagen, te weten de rapporten van het NFI van 20 oktober 2022 (PL1500-2022295608-23, los toegevoegd aan het procesdossier).
Ten aanzien van feit 3 (09/252565-22):
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 mei 2024;
2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 mei 2023 (p. 58-102);
3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 mei 2023 (p. 103-115).
II. De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding II (09/252565-22) ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij op 2 oktober 2022 te Wassenaar opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 16,7 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3 hij op tijdstippen in de periode van 30 juli 2021 tot en met 1 oktober 2022 te Leiden en Noordwijk opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd enopzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.