Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:7461
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,066 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8044
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de derde asielaanvraag van eiser. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Iraanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 24 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 februari 2024 (het bestreden besluit) afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2024 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Shiranian als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Hieruit volgt dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij afvallig is en tot de ontdekking is gekomen dat hij agnost is. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij agnost is. Eiser heeft wisselend verklaard over zijn geloof in het bestaan van een god. Daarnaast heeft hij geen inzicht gegeven in zijn persoonlijke beleving, wat zijn geloofsovertuiging voor hem betekent en hoe de media hebben bijgedragen aan zijn agnostische overtuiging. Verder heeft hij weinig kennis van het agnosticisme en heeft hij hier weinig onderzoek naar gedaan. Hij vertelt dat hij tijdens een gesprek met een vriend de term agnost heeft gehoord, maar hij weet niet of die vriend zelf agnost is. Niet valt in te zien waarom eiser weinig onderzoek heeft gedaan naar agnosticisme, terwijl hij zich eerder wel heeft verdiept in het christendom. Eiser heeft verklaard dat hij vanwege de onzekerheid over zijn verblijfsrecht geen mogelijkheid had zich te verdiepen, maar ook toen hij zich heeft verdiept in het christendom was zijn verblijfsrecht onzeker. Tot slot is niet gebleken dat eisers activiteiten voortkomen uit zijn religieuze overtuiging.
3. Eiser voert aan dat afvalligheid als zelfstandig relevant element had moeten worden aangemerkt. Hierbij verwijst hij naar Werkinstructie 2022/3. Verder is onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over het bestaan van een God wisselend worden gevonden. Ook is niet langer tegengeworpen dat eiser heeft gezegd dat hij niet in een schepper gelooft, maar het is niet kenbaar gemotiveerd hoe dit doorwerkt in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook had verweerder duidelijker vragen moeten stellen over waarom de media eiser pas zo laat hebben laten inzien dat hij agnost is; hier had niet slechts impliciet naar mogen worden gevraagd. Uit de verklaring dat hij de term agnost heeft opgezocht valt niet op te maken dat hij weinig kennis heeft van het agnosticisme. Hij is bovendien pas sinds korte tijd bekend met het begrip en van hem kan daarom niet worden verwacht dat hij al veel kennis heeft. Bovendien is onvoldoende gemotiveerd dat uit het enkele feit dat hij niet weet of zijn vriend agnost is kan worden afgeleid dat hij geen uitgebreid gesprek met deze vriend heeft gehad. Ten slotte is de overweging dat de afvalligheid in eerdere procedures ongeloofwaardig is geacht onjuist omdat dit niet eerder als relevant element is aangemerkt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit verweerders Werkinstructie 2022/3 volgt dat afvalligheid alleen als zelfstandig relevant element hoeft te worden beoordeeld wanneer de afvalligheid niet wordt gevolgd door een nieuwe geloofsovertuiging, als er twee duidelijk te onderscheiden fasen zijn van afvalligheid en bekering, of wanneer sprake is van toegedichte afvalligheid. In het geval van eiser is sprake van een bekering naar het agnosticisme. Ook zijn niet duidelijk twee fasen te onderscheiden. Verweerder hoefde daarom de afvalligheid niet als zelfstandig relevant element aan te merken. Overigens is eisers gestelde en toegedichte afvalligheid ook al in een eerdere procedure beoordeeld.
5. Verweerder heeft de bekering tot het agnosticisme niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hierbij is terecht overwogen dat eiser wisselend verklaard heeft over de vraag of hij gelooft in God. Zo heeft hij verklaard dat hij voor zestig procent in God geloofd en voor 40 procent het niet te weten. Verder heeft hij verklaard dat hij soms denkt dat God bestaat en soms niet. Vervolgens verklaart hij dat hij door gesprekken met God rust heeft gekregen. Gelet hierop heeft verweerder ook niet hoeven motiveren hoe het wegvallen van de tegenwerping dat eiser twijfelt over het bestaan van een schepper doorwerkt in de geloofwaardigheid van de bekering tot het agnosticisme. Verder mag van eiser verwacht worden dat hij meer kan verklaren over in hoeverre de door hem genoemde media aan zijn overtuiging hebben bijgedragen en dat hij meer kan verklaren over het gesprek met zijn vriend. Dat hij volgens [Naam 3] agnost is en dat ze hebben gepraat over religie, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden. Eiser verklaart immers dat dit een uitgebreid gesprek is geweest en dat de media hebben bijgedragen aan zijn overtuiging dat hij agnost is. Verweerder heeft ook voldoende doorgevraagd naar welke invloed de media hebben gehad. Van eiser mag verwacht worden dat hij concrete antwoorden geeft, ook over waarom er zoveel tijd zit tussen het zien van de media en zijn realisatie dat hij agnost is, ondanks dat hij hier niet expliciet naar is gevraagd. Ook mag van hem verwacht worden dat hij zich meer in het agnosticisme verdiept en meer onderzoek doet dan alleen het opzoeken van de term agnost. Dat hij pas sinds kort bekend is met de term, maakt dit niet anders. Immers, ook in een korte periode is het mogelijk meer kennis te verkrijgen over het agnosticisme.
Conclusie
6. Omdat het hier een opvolgende asielaanvraag betreft, en de aanvraag niet niet-ontvankelijk is verklaard, heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser moet terugkeren naar Iran. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie daarover het besluit van 14 augustus 2020 op de tweede asielaanvraag van eiser en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in hoger beroep van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2708 waarbij dit besluit is stand is gelaten.
Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 5.
Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 6.
Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 12.