Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:7458
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
948 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.306
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser,
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.M. van de Wouw),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak buiten zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover van belang, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan schriftelijk is meegedeeld dat het in gebreke is.
2. Referente ([Naam 2]) heeft op 10 februari 2022 een aanvraag ingediend tot verlening van een mvv voor eiser in het kader van nareis. Bij besluit van 19 april 2023 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen. De gemachtigde van eiser heeft op 26 april 2023 daartegen bezwaar ingediend zonder daarbij de gronden van bezwaar te vermelden. De termijn voor het nemen van een besluit op het bezwaar is in geval van eiser op grond van artikel 76, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 negentien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indien van een bezwaarschrift is verstreken. Verweerder heeft op 6 juni 2023 eiser in de gelegenheid gesteld de gronden van bezwaar voor alsnog aan te voeren, waardoor deze termijn conform artikel 7:10 van de Awb op 7 juni 2023 is opgeschort. Verweerder heeft hierin ook gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid die is neergelegd in artikel 7:10, derde lid, van de Awb om de beslistermijn (vóór het aflopen daarvan) met zes weken te verdagen. Hieruit volgt dat verweerder uiterlijk op 3 januari 2024 een besluit had moeten nemen op het bezwaar van eiser.
3. Eiser heeft verweerder op 8 december 2023 in gebreke gesteld. Dit betekent dat de beslistermijn ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling nog niet was verstreken, zodat deze ingebrekestelling prematuur is. Dit heeft als gevolg dat op het moment van het instellen van het beroep niet werd voldaan aan de vereisten waaraan op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb moet zijn voldaan voordat beroep kan worden ingesteld. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.