Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:7360
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,442 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/1431
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. K.L. Sett),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: L. Verhaegh).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend tegen het aan haar opgelegde terugkeerbesluit van 5 januari 2024.
1.1.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft hieraan deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de staatssecretaris een terugkeerbesluit aan eiseres heeft mogen opleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres na het opleggen van het terugkeerbesluit naar China is teruggekeerd. De staatssecretaris heeft het standpunt ingenomen dat het terugkeerbesluit daarom zijn werking heeft verloren en dat eiseres dus geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank volgt de staatssecretaris daarin niet. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 maart 2024 blijkt namelijk dat een vreemdeling altijd belang heeft bij beoordeling van een terugkeerbesluit, ook als dat is uitgewerkt doordat een vreemdeling de Europese Unie heeft verlaten. Het beroep is daarom ontvankelijk en de rechtbank komt toe aan inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiseres.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze naar voren te brengen voordat het terugkeerbesluit aan haar is opgelegd. Eiseres heeft ook niet schriftelijk gezegd dat zij geen zienswijze wil indienen.
6. De rechtbank stelt vast dat in het dossier een document zit met de titel ‘Voornemenprocedure Chinees - gehoor terugkeerbesluit’. Daaruit blijkt dat aan eiseres is meegedeeld dat zij individuele omstandigheden naar voren kan brengen die ertoe kunnen leiden dat er geen terugkeerbesluit wordt opgelegd. Vervolgens is aan eiseres onder meer gevraagd of er redenen en/of bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Ook is aan eiseres gevraagd of zij nader wil worden gehoord. Eiseres heeft beide vragen met ‘nee’ beantwoord. Vervolgens is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Anders dan eiseres heeft aangevoerd, blijkt uit deze gang van zaken dat zij in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze naar voren te brengen, dat zij van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt en dat zij niet (nader) wilde worden gehoord. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris bij het opleggen van het terugkeerbesluit haar individuele omstandigheden had moeten meewegen. Eiseres heeft een duurzame en exclusieve relatie met [A] , die in Nederland een verblijfsvergunning heeft. Het opleggen van het terugkeerbesluit is dan ook in strijd met artikel 8 van het EVRM, aldus eiseres.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit alinea 6 van deze uitspraak blijkt dat voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit aan eiseres is gevraagd of er omstandigheden zijn op grond waarvan van het opleggen van een terugkeerbesluit moet worden afgezien. Eiseres heeft haar gestelde relatie toen niet naar voren gebracht. De staatssecretaris kon hier dus geen rekening mee houden. In beroep heeft eiseres enkel gesteld dat zij een relatie heeft, maar zij heeft die relatie op geen enkele manier onderbouwd. De oplegging van het terugkeerbesluit is daarom niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2024.
de rechter is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2024:1178.