Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:725
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
922 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35939
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Zuithoff).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 januari 2024 op zitting behandeld. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het is een tweede asielaanvraag die niet-ontvankelijk is verklaard. Beoordeeld moet worden of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen en, zo ja, of die de kans aanzienlijk groter maken dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming.
2. Eiser heeft aangevoerd dat inmiddels zijn Egyptische nationaliteit is bevestigd en dat daarom zijn asielrelaas in dat kader moet worden beoordeeld.
3. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een nieuw element of bevinding. Eiser heeft geen stukken ingebracht waaruit blijkt dat zijn Egyptische nationaliteit is bevestigd en ook zijn verklaring zelf biedt niets nieuws ten opzichte van zijn eerdere asielaanvraag. Maar los daarvan, ook al zou dat wel zo zijn, dan nog is bij de beoordeling van de eerste asielaanvraag van eiser zijn gestelde Egyptische nationaliteit tot uitgangspunt genomen en heeft verweerder zijn relaas beoordeeld. Met andere woorden, als er al een nieuw element zou moeten worden aangenomen, dan nog maakt dat element de kans op internationale bescherming niet aanzienlijk groter voor eiser.
4. Dat betekent dat verweerder de aanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5. Dan is er nog de beroepsgrond dat uit het aanvraagformulier (M35-O) blijkt dat vertrek en terugkeer naar Egypte onmogelijk is en dat daarom geen sprake kan zijn van een terugkeerbesluit en een inreisverbod.
6. De rechtbank vindt dat deze beroepsgrond niet is onderbouwd en geen zelfstandige betekenis heeft, nu al is geoordeeld dat de opvolgende asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Dat oordeel brengt immers mee dat het bij het eerste afwijzende asielbesluit van 19 december 2022 gegeven terugkeerbesluit en opgelegde inreisverbod terecht nog steeds van toepassing zijn verklaard.
7. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.
Deze maatstaf is ontleend aan het L.H.-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.