Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:7175
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,941 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6748
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 februari 2024 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor zijn aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek van eiser een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder zaaknummer NL24.6749. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Kan de staatssecretaris ten aanzien van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe, onder herhaling en inlassing van de zienswijze, aan dat hij bewijsnood verkeert aangaande de systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Zwitserland welke volgens eiser resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest) en artikel 3 van het EVRM. Juist door deze systeemfouten zijn er geen instanties in Zwitserland die willen bevestigen dat deze systeemfouten bestaan en dat zij hiervoor verantwoordelijk zijn, aldus eiser.
5.1.
De rechtbank overweegt dat gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel de staatssecretaris er in het algemeen van mag uitgaan dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De staatssecretaris overweegt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Zwitserse autoriteiten zich niet houden aan hun internationale verplichtingen. De enkele stelling van eiser dat dit het geval is, is onvoldoende. Daarbij is van belang dat Zwitserland met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. De Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn zijn ook van toepassing zijn op de asielprocedure in Zwitserland. Indien Zwitserland zich niet houdt aan deze richtlijnen ligt het op eisers weg ligt om hierover te klagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. Eiser heeft zijn stelling dat hij geen documenten zou kunnen verkrijgen van Zwitserse instanties op geen enkele wijze deugdelijk onderbouwd. Verder zijn er voor de rechtbank geen aanknopingspunten die zouden maken dat eisers stelling dat hij geen stukken kan overleggen die de door eiser gestelde systeemfouten kunnen onderbouwen, aannemelijk zou kunnen zijn. Eisers beroepsgrond slaagt dus niet.
Is er sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid getuigt?
6. Eiser voert verder aan dat zijn persoonlijke relaas maakt dat behandeling van zijn asielaanvraag in Nederland in de rede ligt volgens artikel 17 van de Dublinverordening.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is nader uitgewerkt wanneer de staatssecretaris van deze bevoegdheid gebruikmaakt.
6.2.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich op goede gronden op het standpunt mogen stellen dat er in dit verband geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris de asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening naar zich toe zou kunnen trekken. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank derhalve deugdelijk gemotiveerd.
Conclusie
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Zwitserland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:EU:C:2019:218.