Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:7167
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,099 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13872
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
In het besluit van 28 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 mei 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is, met bericht vooraf, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Tussen partijen is niet in geschil dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. In geschil is of ten aanzien van Bulgarije nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
2. Eiser heeft aangevoerd dat Bulgarije hem ten onrechte gedurende 15 dagen in vreemdelingendetentie heeft gehouden. En verder heeft hij aangevoerd dat de omstandigheden in de vreemdelingendetentie en asielopvang erbarmelijk waren.
3. Over de vreemdelingendetentie heeft de staatssecretaris in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser de onrechtmatigheid daarvan niet heeft onderbouwd. Ook de vrees van eiser dat hij na overdracht opnieuw in detentie zal worden geplaatst, is niet onderbouwd. De rechtbank verwijst in dat verband ook naar de jurisprudentie van het HvJEU, en overweegt dat eiser als Dublinterugkeerder zal worden overgedragen aan Bulgarije. De ervaringen die eiser in het verleden in Bulgarije stelt te hebben gehad, zeggen niets over de situatie waarin hij na overdracht terecht zal komen. De hoogste bestuursrechter in Nederland, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), heeft op 29 januari 2024 nog geoordeeld dat in het algemeen ervan mag worden uitgegaan dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen nakomt. Uit de jurisprudentie volgt ook dat, wanneer eiser vindt dat Bulgarije zich niet aan zijn verplichtingen houdt, eiser daarover kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten.
4. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele problemen in de opvangvoorzieningen in Bulgarije zodanig dat de hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo wordt gehaald.
5. Tot slot ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 volgt dat de problemen die eiser in Bulgarije stelt te hebben ondervonden niet in die beoordeling kunnen worden betrokken. Andere bijzondere individuele omstandigheden heeft eiser niet aangevoerd.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Hof van Justitie van de Europese Unie, bijvoorbeeld het arrest van 30 november 2023, zaaknummers C‑228/21 e.a., ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:303.
Arrest van het HvJEU van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
ECLI:NL:RVS:2014:3164.