Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:7032
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak
2,266 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.17912
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster]
, V-nummer: [V nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Inleiding
Verzoekster heeft op 23 september 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2024 buiten behandeling gesteld, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoekster heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel ingesteld.
Met de brief van 9 april 2024 is aan verzoekster meegedeeld dat op 24 april 2024 haar overdracht naar Duitsland zal plaatsvinden.
3. Op 10 april 2024 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de verblijfsvergunning regulier). Verzoekster wil bij haar in Nederland wonende dochter verblijven.
4. Op 16 april 2024 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen feitelijke overdracht naar Duitsland. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij wilde daarmee voorkomen dat zij tijdens de bezwaarprocedure zou worden uitgezet naar Duitsland. Met de uitspraak van 23 april 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. De op
24 april 2024 geplande overdracht betreft immers een gefaciliteerde en geen gedwongen overdracht. Verzoekster kan dus zelf bepalen of zij daaraan meewerkt.
5. Met het besluit van 23 april 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag voor de verblijfsvergunning regulier afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat zij tijdens de bezwaarprocedure wordt uitgezet naar Duitsland.
6. Op 24 april 2024 is verzoekster overgedragen aan de Duitse autoriteiten.
7. De staatssecretaris heeft vervolgens op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift. Haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt er thans toe dat zij Nederland mag inreizen (gefaciliteerd door de staatssecretaris of op eigen gelegenheid) om de beslissing op haar bezwaar hier af te wachten.
8. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek heden gesloten. Hij nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.1
Overwegingen
Griffierecht
9. Verzoekster heeft vanwege betalingsonmacht verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Verzoekster heeft voldoende aangetoond dat zij aan de voorwaarden hiervoor voldoet. De voorzieningenrechter stelt verzoekster vrij van de verplichting om griffierecht te betalen.
Beoordeling
10. Verzoekster is in het besluit van 23 april 2024 niet vrijgesteld van het mvv- vereiste. Op grond van artikel 73, tweede lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft het instellen van bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag regulier daarom geen schorsende werking. Op grond van paragraaf B1/7.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 geldt in het geval van verzoekster hetzelfde voor het instellen van een voorlopige voorziening. Dit betekent dat verzoekster de beslissing op bezwaar en de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in beginsel niet in Nederland mag afwachten, tenzij de voorzieningenrechter anders bepaalt. Hieruit vloeit voort dat de staatssecretaris, gelet op het besluit van 4 maart 2024, bevoegd was om verzoekster over te dragen aan de Duitse autoriteiten.
10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze zaak gegeven. Verzoekster stelt immers dat zij op onrechtmatige wijze is uitgezet naar Duitsland en wenst zo snel mogelijk terug te keren naar Nederland.
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hiertoe overweegt hij als volgt.
13. In afwijking van wat de staatssecretaris heeft toegezegd, stelt verzoekster dat geen sprake was van een gefaciliteerde, maar van een gedwongen overdracht. Zij voert hiertoe aan dat er medewerkers van haar opvanglocatie aan haar deur zijn geweest en dat zij niet open wilde doen. Haar is toen meegedeeld dat zij dit toch moest doen, omdat de medewerkers de deur anders zelf zouden openen. Vervolgens werd haar geen keuze gelaten
1. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
en is haar gezegd dat zij mee moest komen. Ze heeft zich toen niet verzet, omdat ze ziek is en fysiek niet op kon tegen die medewerkers. Onder dwang is haar aangezegd om in het busje van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DVO) te stappen, waarna zij naar Duitsland is gebracht. Deze gang van zaken is volgens verzoekster onzorgvuldig en in strijd met de goede procesorde. Verder stelt zij dat haar bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag regulier een redelijke kans van slagen heeft en dat zij op haar bezwaar dient te worden gehoord. Als gevolg hiervan weegt haar belang bij toewijzing van het verzoek om de voorlopige voorziening zwaarder dan het belang van de staatssecretaris bij afwijzing daarvan.
14. De staatssecretaris stelt in het verweerschrift dat verzoekster in de ochtend van 24 april 2024, na een gesprek met de regievoerder, met haar bagage naar de receptie van haar opvanglocatie is gegaan. Daar heeft zij rustig gewacht op de komst van de medewerkers van DVO, waarna zij zelfstandig in het busje is gestapt. In reactie op het verweerschrift heeft verzoekster deze gang van zaken in grote lijnen niet weersproken. Zij heeft slechts aangevoerd dat de medewerkers overwicht op haar hadden en dat haar is gezegd dat zij in het busje moest stappen. Deze gestelde omstandigheid is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om te concluderen dat sprake was van een dermate vorm van dwang, dat niet meer gesproken kan worden van een gefaciliteerde overdracht waaraan verzoekster haar medewerking heeft kunnen en mogen weigeren. De mededeling tijdens het vertrekgesprek op 17 april 2024 dat niet-meewerken aan de gefaciliteerde overdracht ertoe kan leiden dat op een later moment een gedwongen overdracht plaatsvindt, is informatief van aard en op zich juist. Deze mededeling is ook onvoldoende om bij verzoekster op 24 april 2024 de indruk te hebben gewekt dat zij werd gedwongen om aan haar gefaciliteerde overdracht mee te werken.
14. Samenvattend en concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de staatssecretaris bevoegd was om verzoekster over te dragen naar Duitsland. Verder kon het verzoekster op grond van de uitspraak van 23 april 2024 (zie hiervoor in rechtsoverweging 4) duidelijk zijn dat zij geen medewerking hoefde te verlenen aan haar gefaciliteerde overdracht op 24 april 2024. Het is de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat verzoekster haar medewerking toen toch tegen haar wil en gedwongen door de omstandigheden heeft verleend. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de staatssecretaris op te dragen om verzoekster toe te laten tot Nederland, om haar zo in de gelegenheid te stellen de bezwaarprocedure tegen het besluit van 23 april 2024 hier af te wachten.
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
17. Aan partijen is meegedeeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2024 door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
26 april 2024
Documentcode: [Documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.