Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:6964
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,324 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18206
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft verweerder een nader stuk ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben.
Ondertekening van de maatregel en het proces-verbaal van gehoor
2. Eiser voert aan dat de digitale handtekening van de maatregel van bewaring niet kan worden geverifieerd en dat om die reden geen sprake is van een rechtsgeldige maatregel. Daarnaast kan ook de digitale handtekening van het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet worden geverifieerd.
3. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve onderzocht of de maatregel van bewaring is voorzien van een rechtsgeldige digitale handtekening en heeft vastgesteld dat dit het geval is. Ook heeft de rechtbank op verzoek van eiser vastgesteld dat het proces-verbaal van gehoor is voorzien van een geldige digitale handtekening. Deze stukken zijn om respectievelijk 11:22 uur en 13:26 uur ondertekend. Voor zover relevant voor de rechtsgeldigheid van de maatregel van bewaring is daarmee sprake van een gedagtekende en ondertekende maatregel die voldoet aan de daaraan gestelde vereisten.
Bezwaar van het OM
4. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat niet bekend is of het OM bezwaar heeft tegen de overdracht van eiser, terwijl dit wel is vereist nu sprake is van een concrete overdrachtsdatum. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat op 26 april 2024 een e-mail van het OM is ontvangen waarin het OM kenbaar heeft gemaakt geen bezwaar te hebben tegen eisers overdracht. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om na afloop van de zitting de e-mail van het OM in het digitale dossier te plaatsen. Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. In reactie daarop heeft eiser aangevoerd dat de e-mail van het OM dubbelzinnig is, omdat het OM enerzijds instemt met de overdracht van eiser en anderzijds wordt meegedeeld dat eiser wellicht in persoon zal worden opgeroepen voor een zitting van de politierechter op 31 mei 2024. De opmerking van het OM dat eiser hiervoor een visum kan aanvragen, is volgens eiser zinledig.
5. Uit vaste rechtspraak volgt dat het ontbreken van bezwaar van het OM een voorwaarde is voor de uitzetting van de vreemdeling en niet voor het opleggen van de maatregel van bewaring. Verweerder dient bij het bekend zijn met een overdrachtsdatum contact te zoeken met het OM. Dat heeft verweerder in dit geval ook gedaan. Gebleken is dat het OM geen bezwaar heeft tegen de overdracht van eiser. De mededeling van het OM dat eiser ‘wellicht’ in persoon zal worden opgeroepen voor een zitting op 31 mei 2024 en dat eiser hiervoor een visum kan aanvragen, levert geen belemmering op voor de geplande overdracht op 7 mei 2024. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig
was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3820.
Uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219.