Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:6962
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,268 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17505
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
Zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken te laat ingediend?
2. Eiser voert aan dat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken te laat heeft ingediend. In het bijzonder het terugkeerbesluit is niet tijdig geüpload in het dossier. Eiser meent – met een beroep op de openbare orde – dat het nalaten van verweerder om het terugkeerbesluit tijdig te overleggen, de maatregel onrechtmatig maakt.
3. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de stukken waarnaar eiser verwijst, vóór het onderzoek ter zitting in het dossier waren geüpload. Eiser heeft voldoende tijd gehad om hierop te reageren, en heeft dit ook gedaan door middel van het indienen van schriftelijke beroepsgronden. Ook heeft eiser tijdens het onderzoek ter zitting van de mogelijkheid gebruik gemaakt om deze beroepsgrond nader toe te lichten. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder tijd gegund mag worden om een dossier zorgvuldig samen te stellen en onderzoek te doen naar een zaak. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn. Het zicht op uitzetting geldt uitsluitend voor vreemdelingen die in het bezit zijn van een
(kopie) identiteitsdocument of die op basis van dacty kunnen worden geïdentificeerd. Eiser heeft aangegeven niet in het bezit te zijn van een paspoort of een andere identiteitskaart en heeft dat ook nog nooit aangevraagd in Algerije. Sterker nog, eiser geeft aan dat de Algerijnse autoriteiten niet van zijn bestaan afweten. Hij heeft ook nog nooit vingerafdrukken laten afnemen door de Algerijnse overheid. Zonder kopie van een identiteitskaart of vingerafdrukken, kunnen de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer verstrekken en kan eiser dus ook niet worden uitgezet.
5. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. In de uitspraak van 4 maart 2024 heeft zij overwogen dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, gezien de nieuwe positieve ontwikkelingen omtrent de afgifte van laissez-passers. Uit de in de uitspraak van 4 maart 2024 genoemde cijfers blijkt immers dat er weer uitzettingen naar Algerije plaatsvinden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser in het vertrekgesprek van 23 april 2024 heeft aangegeven dat zijn ouders in het bezit zijn van een ID-kaart Algerije, zodat eiser bekend verondersteld mag worden bij de Algerijnse autoriteiten en het laissez-passer traject van eiser loopt. In de gegeven omstandigheden is geen sprake van de situatie dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
Ambtshalve toets
6. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij ook ambtshalve oordelend, geen onregelmatigheden heeft vastgesteld bij de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring die leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 4 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2719.
Aanbiedingsbrief van verweerder van 30 april 2024.