Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:6930
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,964 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.16801 en NL24.16803
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] , verzoekers mede namens hun minderjarige kind
(gemachtigde: mr. F. van Dijk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: I.E. Lemmers).
Inleiding
Verzoekers hebben op 1 oktober 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Met de besluiten van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris deze aanvragen niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoekers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld. Met de uitspraak van 23 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep van verzoekers ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 29 maart 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep van verzoekers tegen de uitspraak van 23 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
De staatssecretaris is van plan om verzoekers op 25 april 2024 om 11.30 uur per vliegtuig met vluchtnummer [vluchtnummer] uit te zetten naar [plaats] , Kroatië.
3. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om de feitelijke overdracht te verbieden tot op het bezwaar is beslist.
4. De staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.
5. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek heden gesloten. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.1 De voorzieningenrechter maakt gebruik van deze bevoegdheid, omdat de uitzetting op zeer korte termijn gepland staat en de staatssecretaris en verzoekers schriftelijk afdoende op elkaars standpunten hebben kunnen reageren.
1. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat gelet op de betrokken belangen vereist.
7. Het spoedeisend belang is in deze zaak met de geplande overdracht op 25 april 2024 om 11.30 uur gegeven. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet
beoordelen of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers bezwaar hebben gemaakt tegen de feitelijk overdracht naar Kroatië. Deze overdracht is een met een besluit gelijk te stellen handeling van de staatssecretaris in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De mogelijkheid tot het maken van bezwaar is in gevallen als deze beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop de staatssecretaris van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van bezwaar bij uitzondering mogelijk als de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling.2
9. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij psychische problemen hebben gekregen door de wijze waarop zij eerder in Kroatië zijn behandeld. Verzoekers zijn door deze psychische problemen extra kwetsbaar. Ook is in Kroatië geen adequate geestelijke gezondheidszorg beschikbaar.3 Dit maakt dat niet meer van de juistheid van het overdrachtsbesluit kan worden uitgegaan. Verder is niet gebleken dat de staatssecretaris de Kroatische autoriteiten op de hoogte heeft gesteld van de bijzondere situatie van verzoekers en om extra garanties heeft gevraagd.4 Dit is volgens verzoekers wel nodig om te verzekeren dat zij – anders dan de vorige keer – bij aankomst in Kroatië op een goede manier behandeld worden.
10. De voorzieningenrechter volgt verzoekers hierin niet. De voorzieningenrechter moet beoordelen of er ten opzichte van de besluiten van 30 januari 2024 relevante nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat niet meer van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke overdracht kan worden uitgegaan. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Verzoekers hebben gewezen op hun gestelde psychische problemen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 februari 2024 al geoordeeld dat de gestelde psychische problemen van verzoekers niet in de weg staan aan hun overdracht naar Kroatië. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat hun huidige situatie verschilt ten opzichte van het overdrachtsbesluit en die uitspraak van de rechtbank. Verzoekers hebben daarnaast hun gestelde psychische problemen op geen enkele wijze
2 Bijvoorbeeld de uitspraak van 14 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:837.
3 Verzoekers wijzen op informatie van de Swiss Refugee Council van 19 december 2021, het AIDA- rapport van 2022 en ECLI:NL:RVS:2024:1199.
4 Hierbij wijzen verzoekers op ECLI:EU:C:2024:195.
onderbouwd. Verder is niet gebleken dat als verzoekers psychische hulp nodig hebben, deze hulp in Kroatië niet beschikbaar is. Zo blijkt uit informatie van de EUAA dat Medicins du Monde vanaf eind augustus 2023 de zorg in de opvangcentra weer heeft hervat.5
11. Ook verder hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat Kroatië in hun geval zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Anders dan verzoekers aanvoeren hoefde de staatssecretaris om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot uitzetten geen extra garanties te vragen van de Kroatische autoriteiten.
11. De voorzieningenrechter oordeelt dat gelet op het voorgaande het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen maakt. Het belang van de staatssecretaris om tot uitzetting over te gaan weegt daarom zwaarder dan het belang van verzoekers om het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting in Nederland te mogen afwachten.
Conclusie
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekers op
25 april 2024 kunnen worden uitgezet naar Kroatië. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier.
5 Zie ook de uitspraak met zaaknummer NL24.12683.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 april 2024
Documentcode: [documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.