Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:6912
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,681 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17497
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 10 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 mei 2024, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 maart 2024 (in de zaak NL24.7429) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 8 maart 2024.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
3. Eiser stelt dat voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Eiser voert hiertoe aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, nu de brief die de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft overhandigd aan de Marokkaanse autoriteiten niet op korte termijn in het dossier is gezet, terwijl dit wel zou gebeuren. Voorts stelt eiser dat op de schriftelijke rappels geen antwoord van de Marokkaanse vertegenwoordiging is ontvangen.
3.1.
Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting bestaat op korte termijn. Hiertoe voert eiser aan dat hij geen documenten heeft en er nog altijd geen presentatie staat gepland bij de Marokkaanse autoriteiten. De aanvraag voor een laissez-passer (lp) voor eiser zou nog altijd in onderzoek zijn, maar heeft nog geen resultaat gehad. Eiser verwacht daarom niet dat hij voor 10 augustus 2024 kan worden uitgezet.
3.2.
Eiser stelt tot slot dat de bewaring hem zwaar valt. Eiser stelt dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen, nu hij al sinds 10 februari 2024 in bewaring zit en hij zich goed gedraagt. Eiser stelt dat hij een dochter heeft en dat het belang van zijn kind zwaarder moet wegen dan het belang van de staatssecretaris.
Oordeel rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek in de vorige procedure twee keer gerappelleerd op de lp-aanvraag, te weten op 28 maart 2024 en 16 april 2024 en twee vertrekgesprekken met eiser gevoerd, te weten op 14 maart 2024 en 15 april 2024. In aanloop naar de zitting heeft de staatssecretaris de brief van DT&V aan het digitale dossier toegevoegd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
4.1.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. Er zijn geen aanknopingspunten dat Marokko in het algemeen weigert lp’s te verstrekken, of dat voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven. Daartoe acht de rechtbank het enkele tijdsverloop sinds de lp-aanvraag en het feit dat deze nog niet tot afgifte heeft geleid, nog niet van zwaarwegende betekenis. Er is immers niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Daarom is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat voor eiser geen lp zal worden verstrekt. Bovendien blijkt uit de vertrekgesprekken dat eiser nog steeds niet volledig en actief meewerkt. Eiser heeft geen actie ondernomen en daarbij als reden gegeven dat hij niet terug wil naar Marokko.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris aan eiser terecht geen lichter middel heeft opgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij niet wil terugkeren naar Marokko en dat eiser dus niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank is voorts niet gebleken van persoonlijke omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen. De enkele stelling van eiser dat hij een dochter heeft betekent niet dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. De enkele stelling van eiser dat de bewaring hem zwaar valt en dat drie maanden een lange periode is, leidt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.