Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:6910
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,049 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17370
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft de gronden van beroep ingediend op 24 april 2024, verweerder heeft daarop gereageerd op 25 april 2024. Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling van de zaak. De rechtbank heeft daarop het onderzoek op 30 april 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Bengaalse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
Ophouding
2. Eiser voert aan dat hij ten onrechte is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, omdat hij al eerder in bewaring heeft gezeten en hij geen valse alias heeft gebruikt. De juiste grondslag had daarom artikel 50a van de Vw moeten zijn. De bewaring is daardoor onrechtmatig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit van eiser bij een gebrek aan identificerende documenten niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Gedurende de ophoudingsfase is onderzoek verricht naar de identiteit van eiser, middels doorzoeking van de fouillering en onderzoek in systemen en registers. Dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling eerder in contact is geweest met de Nederlandse autoriteiten en daarbij ook gegevens van hem zijn geregistreerd, doet daar niet aan af aangezien het gaat om niet vaststaande gegevens, aldus verweerder. Geheel subsidiair merkt verweerder nog op dat zelfs als de rechtbank een gebrek zou constateren, de belangenafweging in het voordeel van verweerder uit zou moeten vallen. Ook in dat geval bestond er immers een grondslag voor de ophouding.
3. De bevoegdheid tot ophouding strekt ertoe de vreemdeling te beletten dat hij zich aan het vreemdelingentoezicht onttrekt zodat onderzoek kan worden gedaan naar zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie en voorbereidingen kunnen worden getroffen voor zijn inbewaringstelling. Uit het proces-verbaal ophouding en onderzoek blijkt dat verweerder de bevoegdheid met dat doel heeft aangewend, middels doorzoeking van de fouillering en onderzoek in systemen en registers. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook van deze bevoegdheid gebruik mogen maken nu de identiteit van eiser, bij gebrek aan identificerende documenten, niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De ophouding heeft dus op juiste grondslag plaatsgevonden.
Ambtshalve toets
4. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij ook ambtshalve oordelend, geen onregelmatigheden heeft vastgesteld bij de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring die leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.