Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:6735
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,148 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.8825
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.M. Hagg),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
4 maart 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M. Terpstra als waarnemer voor de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Ervaringen in Kroatië
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris zijn persoonlijke ervaringen in Kroatië onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Eiser heeft in het aanmeldgehoor onder meer verklaard dat hij door de Kroatische autoriteiten is geslagen en is opgesloten zonder eten en drinken. Ook waren er geen sanitaire voorzieningen aanwezig. De staatssecretaris gaat ten onrechte aan deze ervaringen voorbij met een enkele verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wijst hierbij ook op het arrest van het Hof van Justitie van de EU (Hof van Justitie) van 29 februari 20242, waaruit onder andere volgt dat de staatssecretaris rekening moet houden met alle informatie die door de vreemdeling wordt verstrekt. Verder werpt de staatssecretaris hem ten onrechte tegen dat hij kon klagen bij de Kroatische autoriteiten. Immers, het zijn diezelfde autoriteiten die hem hebben mishandeld. Verder voert eiser aan dat de staatssecretaris voornoemde persoonlijke ervaringen ook onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling of toepassing moet worden gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De ervaringen worden ten onrechte afgedaan als ‘vervelend’. Volgens eiser duiden deze ervaringen op een schending van artikel 3 van het EVRM. Ook laat de staatssecretaris ten onrechte in het midden of de verklaringen van eiser geloofwaardig zijn.
6. De rechtbank is – anders dan eiser - van oordeel dat de staatssecretaris de verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Kroatië voldoende in de besluitvorming heeft betrokken, en hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag in behandeling te nemen. De rechtbank legt dat hieronder uit.
7. De staatssecretaris mag in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de staatssecretaris, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat alle lidstaten het unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Daarvan is sprake in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.3
8. Eiser is hier niet in geslaagd. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit terecht overwogen eiser zijn verklaringen niet met documenten heeft onderbouwd en daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer terecht zal komen in een situatie als bedoeld in het arrest Jawo. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet duidelijk op welke momenten de ervaringen zouden hebben plaatsgevonden, noch of dit was in de context van een asielprocedure (nadat hij een asielaanvraag had ingediend). Er kunnen daarom geen conclusies uit worden getrokken voor hoe eiser na overdracht behandeld zal worden.
2 ECLI:EU:C:2024:195 (X), par. 66-81.
3 Arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), par. 91-92.
Verder heeft eiser geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat Dublinterugkeerders in Kroatië problemen ondervinden. Daarnaast hebben de Kroatische autoriteiten met het expliciete claimakkoord gegarandeerd dat ze de asielaanvraag van eiser zullen behandelen (op de wijze als beschreven in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening). Mocht eiser na overdracht problemen ondervinden, dan dient hij hierover te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De verwijzing van eiser naar het arrest van het Hof van Justitie leidt niet tot een ander oordeel. Uit dat arrest blijkt niet dat de staatssecretaris niet aan eiser mag tegenwerpen dat uit zijn verklaringen geen risico voor Dublinterugkeerders kan worden afgeleid. Uit het arrest blijkt juist dat de vreemdeling gegevens moet verstrekken die betrekking hebben op het risico bij overdracht.
9. Verder heeft de staatssecretaris in zijn besluitvorming voldoende gemotiveerd waarom in de (gestelde) ervaringen van eiser geen aanleiding is gezien om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen. De staatssecretaris heeft de (gestelde) ervaringen van eiser betrokken en overwogen dat deze (gestelde) ervaringen niet zodanig bijzonder zijn dat overdracht aan Kroatië onevenredig hard is. Ook is niet gebleken dat eiser hierdoor medische (waaronder psychische) gevolgen heeft ondervonden, waarvoor hij in Nederland behandeld zou moeten worden. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Vollebregt-Kuipers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 april 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.