Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:6526
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,229 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/2745
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 7 maart 2023 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2024.
Belanghebbende is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. de Jong.
Overwegingen
1. Op 5 december 2022 om 23:06 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd op de [straatnaam] (de locatie). De locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.
2. Tijdens een controle op voormeld tijdstip is door een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en geen geldige parkeervergunning was aangemeld. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 68,50, bestaande uit € 2,00 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende er terecht van uit is gegaan dat hij op de locatie mocht parkeren met zijn parkeervergunning voor gebiedscode 37.
4. De rechtbank stelt voorop dat van parkeren met een vergunning alleen sprake is als bij het parkeren wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de parkeervergunning is verleend. Indien aan één of meer van deze voorwaarden niet is voldaan, is geen sprake van parkeren met die vergunning. Eén van de voorwaarden voor het parkeren met de vergunning is dat de parkeervergunning alleen geldig is voor het daartoe aangewezen vergunningsgebied en op de voor het vergunningsgebied vastgestelde tijdvakken.
5. De begrenzing van het onderhavige vergunningsgebied is met een plattegrond bij de toezending van de vergunning en via de website van de gemeente Den Haag kenbaar gemaakt. Op de plattegrond is toegelicht dat de parkeervergunning geldig is in de straten en straatdelen binnen het rood omlijnde gebied. De straatnaam ‘ [straatnaam] ’ ligt (net) buiten het rood omlijnde gebied.
6. Naar oordeel van de rechtbank is het op de kaart van het vergunningsgebied voldoende duidelijk dat de [straatnaam] buiten de rode lijnen ligt of in ieder geval niet binnen het rood omlijnde gebied. Het had daarmee voldoende duidelijk moeten zijn voor belanghebbende dat zijn parkeervergunning niet geldig was op de locatie. Door te parkeren op de locatie heeft belanghebbende dus niet voldaan aan de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden. Zodoende is er geen sprake van parkeren met die vergunning. Nu belanghebbende ook niet op een andere wijze parkeerbelasting heeft voldaan, heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Hoge Raad 17 december 1997; ECLI:NL:HR:1997:AA3336.