Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:6495
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,627 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4254
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
5 februari 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek van eiseres een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder zaaknummer NL24.4255. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 21 november 2023 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 22 november 2023 op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.
Zorgvuldigheid totstandkoming voornemen
5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld door een niet op de persoon toegespitst maar een standaardvoornemen te verzenden. Er is volgens eiseres op geen enkele wijze inhoudelijk ingegaan op haar verklaringen en de door haar genoemde omstandigheden. Het voornemen is een voorbereidingshandeling, maar dat betekent naar de mening van eiseres geenszins dat verweerder kan volstaan met standaard tekstblokken en alleen het kenbaar maken van het voornemen eiseres over te dragen aan Duitsland.
6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het voornemen van de staatssecretaris onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt daartoe dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Ook als de verklaringen van eiseres niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen heeft eiseres door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid om te reageren op het voornemen. De staatssecretaris beoordeelt vervolgens alle argumenten uit het aanmeldgehoor en uit de zienswijze in het bestreden besluit. Volgens de rechtbank is deze handelwijze niet onzorgvuldig. De rechtbank stelt daarbij vast dat de staatssecretaris in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet op grond van welke redenen Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Alle door eiseres aangedragen bezwaren in de zienswijze tegen de overdracht zijn kenbaar meegenomen in de motivering van het bestreden besluit. Eiseres heeft ook niet toegelicht welke door haar aangedragen omstandigheden niet in de beoordeling zijn meegenomen. Overigens kan het enkele feit dat niet alle verklaringen tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij een voornemen op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 november 2023.
De loopbrief
7. Ten tweede stelt eiseres dat de zogenoemde loopbrief niet aan het dossier is gevoegd, waardoor eiseres pas bij ontvangst van het bestreden besluit heeft kunnen vaststellen of de Dublinclaim al dan niet tijdig is verzonden en dus al dan niet rechtmatig is. Eiseres verwijst daarbij naar de Afdelingsuitspraak van 21 september 2023, op grond waarvan de loopbrief van zodanig belang is geworden dat deze volgens eiseres onderdeel dient uit te maken van het dossier.
8. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de loopbrief in dit kader met name een grote rol speelt wanneer in geding is of een terugnameverzoek tijdig is verzonden, zo ook in het eerdergenoemde Afdelingsarrest van 21 september 2023. De Afdeling oordeelde in dit arrest dat de dag waarop een loopbrief aan een betrokkene is uitgereikt moet worden gezien als de datum waarop een verzoek om internationale bescherming is ingediend. Deze datum markeert daarom ook de aanvang van de termijn waarbinnen een terugnameverzoek bij een andere lidstaat moet worden ingediend. De rechtbank overweegt dat de loopbrief aan eiseres is uitgereikt en deze dus in haar bezit was. Dat dat niet het geval was, is in ieder geval niet gesteld. Eiseres kon dus zelf nagaan in hoeverre het terugnameverzoek tijdig was gedaan. Voor het geval dat volgens haar niet tijdig zou zijn gedaan had zij hierover kunnen klagen en had de loopbrief door de staatssecretaris aan het dossier toegevoegd moeten worden om een beoordeling door de rechtbank mogelijk te maken. In onderhavige zaak is echter niet gebleken en ook niet gesteld dat het terugnameverzoek aan Duitsland niet tijdig is verzonden. De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat de loopbrief onderdeel dient uit te maken van het dossier in dit geval dan ook niet. Dat eiseres in haar verdedigingsbelang is geschonden volgt de rechtbank gelet op het voorgaande eveneens niet.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Eiseres handhaaft daarnaast het standpunt dat geen nader onderzoek is verricht bij de Duitse autoriteiten naar de stand van zaken van de asielprocedure van eiseres in Duitsland en de omstandigheden waaronder zij in dat land is verbleven. Eiseres verwijst daarbij naar het arrest M.S.S. tegen België op grond waarvan een overdragende lidstaat zich ervan dient te vergewissen dat de asielprocedure van de ontvangende lidstaat voldoende waarborgen biedt tegen directe of indirecte uitzetting naar het land van herkomst. Eiseres voert aan dat de enkele stelling dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen daartoe onvoldoende is.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat nader onderzoek bij de Duitse autoriteiten niet nodig is. Duitsland heeft met het claimakkoord gegarandeerd de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen. Met de enkele stelling dat deze garantie door het claimakkoord onvoldoende wordt geboden, is niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland de asielaanvraag niet in behandeling zal nemen en eiseres zonder inhoudelijke behandeling van haar aanvraag zal worden uitgezet naar het land van herkomst. De Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn gelden ook ten aanzien van de asielprocedure in Duitsland en de rechtbank overweegt dat de staatssecretaris er in zijn algemeenheid op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem aldaar dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest⁵ en artikel 3 van het EVRM. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zich ten opzichte van haar niet aan zijn internationale verplichtingen houdt of dat er in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen waardoor eiseres een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij wordt door de staatssecretaris terecht overwogen dat uit het claimakkoord blijkt dat eiseres Duitsland heeft verlaten voordat zij een beslissing had ontvangen op haar asielaanvraag. Dit betekent dat niet op voorhand kan worden gesteld dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiseres niet nakomt.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2023:4348.
ECLI:NL:RVS:2023:3569.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609).
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).