Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:6463
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
966 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17195
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 31 januari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 19 april 2024 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 april 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 februari 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 7 februari 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 7 februari 2024.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De laatste uitzettingshandelingen dateren van 3 april 2024. Er zijn dus bijna drie weken verstreken zonder dat verweerder een handeling heeft verricht. Ten aanzien van het zicht op uitzetting refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder sinds 7 februari 2024 drie keer heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 28 maart 2024. Daarnaast heeft verweerder op 3 april 2024 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Aan een eerdere oproep om op 5 maart 2024 een vertrekgesprek te voeren heeft eiser geen gehoor gegeven. Verder heeft verweerder op 3 april 2024 een zoekvraag over eisers identiteit bij de liaison Spanje uitgezet. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt.
6. De ambtshalve toetsing leidt verder niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL24.3543.