Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:64
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,748 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39783
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2023 op zitting behandeld. Eiser is gehoord door middel van telehoren vanuit detentiecentrum Rotterdam en werd daar bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de rechtbank in Groningen is als tolk verschenen O. Ajdid. De staatssecretaris heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2. De staatssecretaris heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Ter zitting heeft de staatssecretaris de grond 4e laten vervallen.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Grondslag en gronden
5. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser alleen de grond 4c heeft betwist en aangegeven heeft zich voor het overige te voegen naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de rechtmatigheid van de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Ambtshalve beoordelend constateert de rechtbank dat de zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4b en 4d feitelijk juist zijn. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is geen nadere motivering vereist. Daarmee zijn er reeds voldoende gronden om de maatregel te dragen en aan te nemen dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Voortraject
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat tijdens de overbrenging ten onrechte gebruik is gemaakt van handboeien. Voorts was er geen sprake van een deugdelijk gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Verder voert eiser aan dat zijn gedrag ten onrechte wordt aangemerkt als frustratie omdat dit voorkomt uit een psychische stoornis. Tot slot wordt naar voren gebracht dat er sprake is van schending van de informatieplicht van artikel 5.3, eerste lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vb 2000) in welk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023. Nu er sprake is van meerdere fouten in het voortraject en gezien de omstandigheid dat eiser psychisch kwetsbaar is en bij zijn partner kan verblijven, dient volgens eiser de belangenafweging in zijn voordeel uit te vallen.
Gebruik handboeien
7. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal staandehouding / overbrenging / overdracht van 15 december 2023 niet voldoende blijkt dat sprake is geweest van gevaar voor ontvluchting of gevaar voor de veiligheid van eiser, van de ambtenaar of van derden. In het proces-verbaal is dit niet voldoende toegelicht De enkele stelling dat eiser niet mee wilde gaan naar het politiebureau is daarvoor onvoldoende. Daaruit blijkt onvoldoende wat de feitelijke situatie is geweest en of er sprake was van gevaar voor ontvluchting of de veiligheid. Nu de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt dat conform artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en ander opsporingsdiensten gebruik is gemaakt van handboeien, acht de rechtbank het gebruik daarom onrechtmatig. Dit betekent dat sprake is van een gebrek in het voortraject.
7.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat een gebrek in het traject voorafgaand aan de inbewaringstelling de bewaring pas onrechtmatig maakt als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat van zo’n situatie hier geen sprake is. In eisers geval zijn er, zoals onder rechtsoverweging 5 is opgenomen, voldoende gronden waaruit blijkt dat sprake is van ontwijking dan wel belemmering van de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze belangen van de inbewaringstelling, het onrechtmatig gebruik van de handboeien niet leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Horen na inbewaringstelling
8. Dat eiser eerst na de inbewaringstelling is gehoord, leidt naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot onrechtmatigheid van de maatregel. De rechtbank constateert dat in de maatregel en het proces-verbaal van gehoor de gang van zaken rond het gehoor uitgebreid beschreven is. Om 14.15 uur is een aanvang genomen met het horen van eiser. Omdat er op dat moment geen tolk Arabisch Algerijns of Arabisch standaard beschikbaar was en de verbalisant eisers antwoorden in het Nederlands niet kon verstaan, is besloten het gehoor te stoppen. Om 15.23 uur is het gehoor voortgezet met behulp van een tolk Arabisch standaard. Eiser heeft eerst aangegeven dat hij de tolk begreep en verstond maar als de tolk vervolgens geen antwoord wil geven op de vragen van eiser , geeft eiser aan niet van deze tolk gebruik te willen maken omdat hij niet uit de streek komt waar hij vandaan komt, hij lang geleden uit Algerije is vertrokken en hij de vragen niet begrijpt. Hem is uitgelegd dat dit zijn recht is maar dat hij dan niet zijn zienswijze op de oplegging van de maatregel kan geven. Eiser is bij zijn standpunt gebleven. Eiser is om 17.40 uur in bewaring gesteld. Om 18.30 uur is eiser alsnog gehoord, ditmaal met behulp van een beëdigd tolk Arabisch Algerijns. Ook nu heeft eiser aangegeven de tolk goed te verstaan om vervolgens tijdens het gehoor te proberen de tolk bij het gesprek te betrekken en de confrontatie met hem te zoeken. Toen dit niet lukte is hij in het Nederlands rechtstreeks met de verbalisant gaan praten en heeft hij geen serieuze antwoorden meer gegeven.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat er op het moment van de inbewaringstelling geen tolk beschikbaar was niet maakt dat het proces van inbewaringstelling niet deugdelijk heeft plaatsgevonden. De staatssecretaris heeft in de gegeven omstandigheden er alles aan gedaan om eiser zo spoedig mogelijk te horen wat er in heeft geresulteerd dat hij direct aansluitend aan de inbewaringstelling is gehoord met een beëdigd tolk in het Arabisch Algerijns. Dat eiser tijdens dit gehoor geen antwoorden heeft willen geven, dient voor zijn rekening en risico te komen.
9. Ten aanzien van de stelling van eiser dat zijn gedrag tijdens de gehoren en ook op zitting niet kan worden beschouwd als frustratie maar het gevolg is van een psychische stoornis, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris dit standpunt bij gebrek aan medische onderbouwing niet heeft hoeven volgen. De stukken van de medisch adviseur van het COC Amsterdan en van LGBT Asylum Support heeft de staatssecretaris daartoe onvoldoende mogen achten.
Informatieplicht
10.
Conclusie
13. Concluderend is de rechtbank niet gebleken dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Hetgeen namens eiser verder naar voren is gebracht, geeft ook geen aanleiding om thans de bewaring onrechtmatig te achten.
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Gelet op het onrechtmatig gebruik van de handboeien, veroordeelt de rechtbank
de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,00 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Afdeling 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
ECLI:NL:RVS:2023:4180.
Afdeling 5 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:987.