Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:6297
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,413 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1433
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de politiechef eenheid Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. J.W.M.P. Dijkers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder op een verzoek tot vernietiging/rectificatie van politiegegevens.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 10 januari 2023 op dit verzoek beslist. Eiser heeft beroep ingediend.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Verder heeft verweerder stukken aan de rechtbank gezonden met een verzoek om beperkte kennisneming. Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend de stukken bij de beoordeling van het beroep te betrekken.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Tijdens de zitting heeft eiser de rechter gewraakt. Bij beslissing van 3 januari 2024 is het wrakingsverzoek afgewezen. Hierna is de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van het wrakingsverzoek.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2024 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. [naam] (hierna: indiener) heeft een verzoek bij verweerder gedaan tot vernietiging/rectificatie van de politiegegevens die over hem worden verwerkt. Dit omdat er in de stukken de onjuiste mededeling staat dat hij een melding heeft gedaan over eiser. Verweerder is gedeeltelijk tegemoetgekomen aan dit verzoek. Hij heeft de over de indiener verwerkte politiegegevens gerectificeerd maar gaat niet over tot vernietiging van de gegevens.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Volgens eiser is hij belanghebbende bij het verzoek van indiener omdat de betreffende politiegegevens over hem gaan. Verweerder had hem dan ook moeten informeren over dit verzoek. Eiser is het nadrukkelijk niet eens met de inhoud van de processen-verbaal. Zo staat er bijvoorbeeld “[eiser] verschijnt nu bij diverse raadsvergaderingen waar hij een onplezierig gevoel bij de aanwezige wethouders geeft. Het betreft hier dhr. [eiser] uit [woonplaats]”. Eiser is nog nooit bij een raadvergadering geweest. Hij is dan ook van mening dat verweerder alle gegevens moet verwijderen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Iemand moet dan een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit.
4.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn oordeel dat eiser geen belanghebbende is bij het besluit. De politiegegevens bevatten een melding die gedaan zou zijn door de indiener. Het gaat hier dan ook om politiegegevens over de indiener die door verweerder zijn verwerkt, niet over gegevens van eiser. Omdat deze niet kunnen worden aangemerkt als op hem betreffende politiegegevens, vallen deze gegevens niet onder het bereik van artikel 28 van de Wpg en is eiser geen belanghebbende bij het besluit op het verzoek van de indiener. Dat de gegevens zijn verwerkt in een mutatie die eiser betreft, maakt dit niet anders.
4.2
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat eiser een verzoek tot correctie of vernietiging van op hemzelf betrekking hebbende gegevens zou kunnen indienen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
ECLI:NL:RBDHA:2024:546.
Artikel 28, eerste en tweede lid, van de Wet politiegegevens (Wpg).
Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:265.