Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:6295
Civiel recht
Bodemzaak
5,219 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/652769 / HA ZA 23-746
Vonnis van 24 april 2024
in de zaak van
1 [eiseres 1] [woonplaats 1] ,
2. [eiseres 2] te [woonplaats 2] ,
3. [eiser] te [woonplaats 3] ,
eisers,
advocaat: mr. B.A.H.M. Boelens te Eindhoven,
tegen
[gedaagde]
te [woonplaats 4] ,
gedaagde,
advocaat: mr. P.F. Keuchenius te Hoorn.
Partijen worden hierna ‘eisers’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 4 augustus 2023, met producties 1 tot en met 4;
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 9;
het tussenvonnis van deze rechtbank van 22 januari 2024, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
de brief van 29 februari 2024 van [gedaagde] , met producties 10 en 11.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 maart 2024. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen, mede aan de hand van een pleitnotitie, hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt die zich in het griffiedossier bevinden.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
Feiten
2.1.
Op [overlijdensdag] 2007 is te [plaats] overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). Eisers zijn de kinderen van erflater, geboren uit het eerste huwelijk van erflater met de moeder van eisers. Dit huwelijk is eind 2004 door echtscheiding ontbonden. Daarna heeft erflater een relatie gekregen met [gedaagde] , met wie hij op enig moment in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd.
2.2.
Erflater heeft bij notariële akte van 12 november 2004, op welk moment hij nog niet met [gedaagde] was gehuwd, een testament laten opmaken door mr. G.P. van Breugel, notaris te Hazerswoude (gemeente Rijnwoude). Hierin heeft erflater bepaald dat de bepalingen in het testament volledig en onverkort van toepassing blijven voor het geval hij met [gedaagde] een huwelijk mocht aangaan. Daarbij is bepaald dat in dat geval Titel 3 afdeling 1 Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (“de wettelijke verdeling”) buiten toepassing blijft. In het testament is onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin het vermogen van erflater ten tijde van zijn overlijden meer dan € 600.000 zou bedragen (hoofdstuk 2) en de situatie waarin het vermogen € 600.000 of minder zou bedragen (hoofdstuk 3). Voor deze laatste situatie heeft erflater onder meer het volgende bepaald:
“
HOOFDSTUK 3. VERMOGEN ZES HONDERD DUIZEND EURO (€ 600.000) OF MINDER
In geval mijn vermogen ten tijde van mijn overlijden zes honderd duizend euro (€ 600.000) bedraagt of minder, bepaal ik het navolgende:
1. Erfstelling
Ik benoem tot mijn enige erfgenamen mijn kinderen ieder voor een gelijk deel.
(…)
2. Keuzelegaat goederen aan partner
Ik legateer aan mijn partner die vermogensbestanddelen van mijn nalatenschap die zij kiest, onder de verplichting om de waarde daarvan aan mijn nalatenschap te vergoeden.
3. Legaat vruchtgebruik van partner
Ik legateer aan mijn partner het vruchtgebruik van mijn nalatenschap nadat daaruit het sub 2 bedoelde legaat is voldaan en van wat zij moet vergoeden volgens de bepalingen van het sub 2 bedoelde legaat, waarop van toepassing zijn de bepalingen van hoofdstuk 4.”
2.3.
In hoofdstuk 4 van het testament zijn verschillende bepalingen met betrekking tot het recht van vruchtgebruik opgenomen. Zo is onder meer bepaald:
HOOFDSTUK 4. VRUCHTGEBRUIKBEPALINGEN
Met betrekking tot het recht van vruchtgebruik gelden de volgende bepalingen.
(…)
d. Jaarlijkse opgave
De vruchtgebruiker is verplicht jaarlijks aan de hoofdgerechtigde een ondertekende, nauwkeurige opgave te zenden van de goederen die niet meer aanwezig zijn, van de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen, en van de voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn. De kosten van deze opgave zijn voor rekening van de hoofdgerechtigde.
(…)
f. Gebruik en vruchtgenot
De vruchtgebruiker heeft het recht om de goederen waarop het vruchtgebruik rust te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten zoals hierna is bepaald.
(…)
g. Zekerheidstelling
De vruchtgebruiker is vrijgesteld van de verplichting tot zekerheidstelling.
(…)
i. Belegging van gelden
De vruchtgebruiker is geheel vrij in de wijze van belegging van de gelden die tot het vruchtgebruik behoren, mits met aantekening van het vruchtgebruik.
(…)
k. Zaaksvervanging en verteringsbevoegdheid
Op de goederen die in de plaats treden van de goederen waarover de vruchtgebruiker bevoegdelijk heeft beschikt, komt het vruchtgebruik eveneens te rusten.
De vruchtgebruiker heeft uitdrukkelijk
niet
het recht de goederen aan mijn kinderen gelegateerd in hoofdstuk 2 sub 1 en nagelaten in hoofdstuk 3 sub 1 en die daarvoor in de plaats zijn gekomen te verteren.
(…)
p. Duur van het vruchtgebruik
Het recht van vruchtgebruik eindigt bij het overlijden van de vruchtgebruiker.
(…)”
2.4.
Op 22 december 2010 is door mr. Van Breugel voornoemd een “akte van boedelbeschrijving, verdeling en afgifte legaat” opgemaakt. Deze akte is blijkens het slot daarvan ondertekend door zowel eisers als [gedaagde] . Hierin is vastgesteld dat het vermogen van erflater minder dan € 600.000 bedraagt en dat eisers (de enige erfgenamen van erflater) de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Verder is in deze akte, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“
IV. KEUZELEGAAT TEGEN INBRENG
De echtgenote van de overledene heeft met gebruikmaking van het door de overledene in het testament in Hoofdstuk 3 onder 2 bepaalde (keuzelegaat goederen aan partner) als goederen en schulden aangewezen, die onder het keuzelegaat tegen vergoeding van de waarde zullen vallen: alle tot de nalatenschap van de overledene behorende goederen en schulden.
Ter uitvoering van het in voormeld testament bepaalde en als resultaat van de door de echtgenote van de overledene uitgebrachte keuze verklaren de erfgenamen van de overledene bij deze af te geven en te leveren aan mevrouw [gedaagde] voornoemd, die verklaart te aanvaarden:
alle tot de nalatenschap behorende goederen en schulden, een en ander zoals op de bijlage vermeld, welke afgifte van het legaat en levering geschieden onder de verplichting voor mevrouw [gedaagde] voornoemd tot inbreng en vergoeding van de waarde van het gelegateerde aan de erfgenamen, welke waarde vijfhonderd zevenenzestig duizend zeshonderd eenennegentig euro drieëntachtig eurocent (€ 567.691,83) bedraagt, een en ander zoals vermeld op de bijlage bij deze akte.
(…)
Op grond van het testament heeft mevrouw [gedaagde] voornoemd het vruchtgebruik van voormeld bedrag van de inbrengverplichting ten bedrage van vijfhonderd zevenenzestig duizend zeshonderd eenennegentig euro drieëntachtig eurocent (€ 567.691,83).
Ter uitvoering van het in voormeld testament bepaalde verklaren de erfgenamen van de overledene af te geven en te vestigen ten behoeve van mevrouw [gedaagde] voornoemd, die verklaart deze vestiging te aanvaarden, het recht van vruchtgebruik op voormeld bedrag van de inbrengverplichting ten bedrage van vijfhonderd zevenenzestig duizend zeshonderd eenennegentig euro drieëntachtig eurocent (€ 567.691,83).
De nalatenschap bestaat dan nog uit een vordering van de kinderen van de overledene op de echtgenote van de overledene wegens voormelde inbrengverplichting ten bedrage van vijfhonderd zevenenzestig duizend zeshonderd eenennegentig euro drieëntachtig eurocent (€ 567.691,83) belast met het vruchtgebruik ten behoeve van mevrouw [gedaagde] voornoemd.
De erfgenamen verklaarden te zijn overeengekomen dat voormelde vordering wegens inbrengverplichting ten bedrag van vijfhonderd zevenenzestig duizend zeshonderd eenennegentig euro drieëntachtig eurocent (€ 567.691,83) zal worden toebedeeld aan ieder van de erfgenamen voor een/derde gedeelte.
Geschil
3.1.
Eisers vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- primair: [gedaagde] veroordeelt om aan ieder van eisers te voldoen een bedrag van
€ 189.230,61, te vermeerderen met wettelijke rente;
subsidiair: [gedaagde] veroordeelt tot voldoening van voornoemd bedrag aan ieder van eisers door, onder oplegging van een dwangsom, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis alle daartoe vereiste medewerking eraan te verlenen dat de door [gedaagde] te betalen bedragen in overleg met eisers vruchtdragend belegd zullen worden op een door [gedaagde] als vruchtgebruiker te beheren spaar- of beleggingsrekening ten name van eisers als hoofdgerechtigden, waarvan gedurende het vruchtgebruik louter de vruchten aan [gedaagde] toekomen;
een en ander onder de opschortende voorwaarde dat eisers een machtiging van de kantonrechter hebben verkregen, voor zover de rechtbank van oordeel is dat eisers een dergelijke machtiging voor het instellen van hun vorderingen nodig hebben en onder veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten (waaronder de nakosten en beslagkosten), te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Eisers leggen aan hun vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft ervoor gekozen alle goederen van de nalatenschap van erflater in volle eigendom gelegateerd te krijgen. Daar staat tegenover dat [gedaagde] de waarde van de gelegateerde goederen aan de nalatenschap moet vergoeden. [gedaagde] heeft wel het vruchtgebruik gelegateerd gekregen van dit door haar te betalen bedrag van de inbrengverplichting, maar daarbij is haar door erflater uitdrukkelijk de bevoegdheid onthouden om hetgeen zij moet vergoeden te verteren. Erflater heeft namelijk zijn vermogen tot een bedrag van € 600.000 voor zijn kinderen (oftewel eisers) willen beschermen. Op dit moment heeft [gedaagde] echter vrijelijk de beschikking over alle goederen van de nalatenschap, zonder dat zij heeft voldaan aan haar verplichting om de waarde van de gelegateerde goederen aan de nalatenschap te vergoeden. Hierdoor moeten eisers maar afwachten of er bij overlijden van [gedaagde] verhaal geboden zal worden voor de voldoening van hun vorderingen. Eisers zijn hiertoe – op grond van de uit het testament blijkende bedoeling van erflater – niet verplicht. Eisers vorderen daarom hun vorderingen op [gedaagde] op. Eisers realiseren zich hierbij dat [gedaagde] , na voldoening van de vorderingen van eisers, over de vergoede bedragen het vruchtgebruik zal hebben.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde] heeft er, onder gebruikmaking van het in het testament van erflater opgenomen keuzelegaat, voor gekozen om alle tot de nalatenschap van erflater behorende goederen en schulden gelegateerd te krijgen. Dit keuzelegaat is afgegeven en geleverd bij notariële akte van 22 december 2010. Tegenover de afgifte van het legaat aan [gedaagde] stond op grond van het testament de verplichting voor [gedaagde] tot vergoeding van de waarde van het gelegateerde aan de nalatenschap. Deze waarde bedraagt blijkens de akte van 22 december 2010 € 567.691,83. Overeenkomstig het bepaalde in het testament (onder 3 van hoofdstuk 3) is aan [gedaagde] het (recht van) vruchtgebruik van dit bedrag afgegeven en gevestigd.
4.2.
Eisers hebben dan ook ieder een vordering op [gedaagde] uit hoofde van haar inbrengverplichting van € 189.230,61. In deze procedure moet beoordeeld worden of [gedaagde] gehouden is tot betaling van deze vorderingen van eisers. Om deze vraag te beantwoorden moet worden vastgesteld waarop het aan [gedaagde] bij testament toegekende vruchtgebruik precies rust. Volgens eisers rust het vruchtgebruik op het door [gedaagde] te betalen bedrag van de inbrengverplichting (nadat zij dit bedrag heeft voldaan) en niet, zoals [gedaagde] stelt, op de vordering van eisers. Hiertussen valt naar het oordeel van de rechtbank echter geen onderscheid te maken. Een vruchtgebruik op het bedrag van de inbrengverplichting komt namelijk op hetzelfde neer als een vruchtgebruik op de vordering van eisers. Dit is ook in lijn met de – ook door eisers zelf ondertekende – akte van 22 december 2010, waarin is opgenomen (zie onder 2.4, onderstrepingen aangebracht door de rechtbank):
Op grond van het testament heeft mevrouw [gedaagde] voornoemd
het vruchtgebruik van voormeld bedrag van de inbrengverplichting
ten bedrage van vijfhonderd zevenenzestig duizend zeshonderd eenennegentig euro drieëntachtig eurocent (€ 567.691,83).
Ter uitvoering van het in voormeld testament bepaalde verklaren de erfgenamen van de overledene af te geven en te vestigen ten behoeve van mevrouw [gedaagde] voornoemd, die verklaart deze vestiging te aanvaarden,
het recht van vruchtgebruik op voormeld bedrag van de inbrengverplichting
ten bedrage van vijfhonderd zevenenzestig duizend zeshonderd eenennegentig euro drieëntachtig eurocent (€ 567.691,83).
De nalatenschap bestaat dan nog uit
een vordering
van de kinderen van de overledene op de echtgenote van de overledene
wegens voormelde inbrengverplichting
ten bedrage van vijfhonderd zevenenzestig duizend zeshonderd eenennegentig euro drieëntachtig eurocent
(€ 567.691,83)
belast met het vruchtgebruik
ten behoeve van mevrouw [gedaagde] voornoemd.
- De erfgenamen verklaarden ter uitvoering van de overeengekomen verdeling aan ieder van de erfgenamen te leveren een vordering op mevrouw [gedaagde] voornoemd, ten bedrag van eenhonderd negenentachtig duizend tweehonderd dertig euro eenenzestig eurocent
(€ 189.230,61),
belast met het vruchtgebruik
ten behoeve van mevrouw [gedaagde] voornoemd, welke levering door de erfgenamen wordt aanvaard.
4.3.
Ook in de bijlage bij de akte van 22 december 2010 wordt gesproken over “het vruchtgebruik van de aan de drie kinderen van de overledene toegedeelde vorderingen wegens inbrengverplichting” en “een vordering wegens inbrengverplichting (…), belast met het vruchtgebruik” (zie onder 2.5).
4.4.
De rechtbank concludeert dat het vruchtgebruik van [gedaagde] rust op het door [gedaagde] te betalen bedrag van de inbrengverplichting (bezien vanuit [gedaagde] ) en tegelijk op de daartegenover staande vordering van eisers (bezien vanuit eisers).
4.5.
Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat (de aard van) het aan [gedaagde] toegekende vruchtgebruik aan opeisbaarheid van de vorderingen van eisers in de weg staat. In het testament is ook geen bepaling over onmiddellijke opeisbaarheid opgenomen. Erflater heeft juist bepaald dat het recht van vruchtgebruik (in beginsel) pas eindigt bij overlijden van [gedaagde] (zie hoofdstuk 4 onder p van het testament). Gelet hierop gaat het beroep van eisers op artikel 4:125 BW niet op. Daarin is opgenomen dat, tenzij de erflater anders heeft beschikt, een legaat van een geldsom in beginsel zes maanden na het overlijden van de erflater opeisbaar wordt. In dit geval heeft erflater door de toekenning van het vruchtgebruik aan [gedaagde] anders over de opeisbaarheid beschikt. Er moet naar het oordeel van de rechtbank dus van worden uitgegaan dat de vorderingen van eisers tijdens het leven van [gedaagde] niet opeisbaar zijn. Dit strookt ook met de uitvoering die de notaris bij akte van 22 december 2010 aan het testament heeft gegeven en de bij die akte (onder de slotbepalingen) aan [gedaagde] verleende finale kwijting (zie onder 2.4) en is verder bevestigd door de door eisers ingeschakelde notaris (zie onder 2.6).
4.6.
Het aan [gedaagde] toegekende vruchtgebruik maakt dat [gedaagde] het bedrag wat zij (uiteindelijk) moet vergoeden mag gebruiken (in die zin dat zij gerechtigd is tot de rente over de aan eisers toekomende hoofdsom) en beheren. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] hierbij geen verteringsbevoegdheid is toegekend. Dit valt af te leiden uit het bepaalde in hoofdstuk 4 onder k van het testament. Dit betekent dat, zoals eisers terecht stellen, [gedaagde] niet mag interen op het bedrag van de inbrengverplichting om ervoor te zorgen dat het gehele bedrag uiteindelijk aan eisers zal toekomen. Uit het testament kan worden afgeleid dat dit inderdaad de bedoeling van erflater is geweest. Tegelijkertijd heeft erflater echter aan [gedaagde] het vruchtgebruik van wat zij moet vergoeden toegekend, waarbij erflater aan het eventueel wel interen door [gedaagde] geen consequenties heeft verbonden. Hieruit blijkt dat erflater bij het opstellen van het testament in een spagaat heeft gezeten. Erflater heeft zowel de belangen van eisers als de belangen van [gedaagde] willen dienen en heeft geprobeerd deze (conflicterende) belangen te combineren. Het gevolg hiervan is dat eisers wel een vastgestelde vordering hebben op [gedaagde] maar dat, zolang het vruchtgebruik daarop rust, niet kan worden afgedwongen dat deze vordering wordt voldaan, ook niet als daarop zou worden ingeteerd. Het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vordering van eisers zal worden afgewezen.
4.7.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt. Eisers maken zich zorgen over het afnemende vermogen van [gedaagde] zoals dat blijkt uit het vermogensoverzicht uit 2018 en hebben nog geopperd dat [gedaagde] hypothecaire zekerheid zou kunnen bieden. In hoofdstuk 4 onder g van het testament is echter bepaald dat [gedaagde] is vrijgesteld van de verplichting tot zekerheidstelling, zodat [gedaagde] hiertoe niet gehouden is. Overigens heeft [gedaagde] door overlegging van een geactualiseerd vermogensoverzicht en de nadere producties 10 en 11 (die zien op de waarde van de onroerende zaken die [gedaagde] (deels) in eigendom heeft) gesteld dat op dit moment nog ruim voldoende vermogen aanwezig is om aan de vorderingen van eisers te kunnen voldoen. Zekerheid dat dit ook op het moment van overlijden van [gedaagde] nog het geval is, is echter niet te verkrijgen.
4.8.
De subsidiaire vordering van eisers komt er kort gezegd op neer dat [gedaagde] veroordeeld wordt om de aan eisers toekomende gelden in overleg met eisers vruchtdragend te beleggen. In het testament is in hoofdstuk 4 onder i evenwel bepaald dat [gedaagde] geheel vrij is in de wijze van belegging van de gelden die tot het vruchtgebruik behoren.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2024.
type: 2163