Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:6290
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,723 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.13404
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. A.A. Wildeboer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2024 niet in behandeling genomen, omdat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2024 op zitting behandeld Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De zaak van eiser is gelijktijdig behandeld met de zaken van zijn gestelde echtgenote (NL24.13406) en haar familie ( NL24.13411, NL24.13413 en NL24.13418).
Beoordeling
2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [datum]. Hij heeft gelijktijdig met zijn gestelde echtgenote en haar familieleden op 13 november 2023 een asielaanvraag ingediend.
3. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
5.1.
In dit geval heeft Nederland ten aanzien van eiser een claim verstuurd naar de Kroatische autoriteiten. De autoriteiten van Kroatië hebben de claim afgewezen onder vermelding dat eiser in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Vervolgens heeft de staatssecretaris bij de autoriteiten van Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
5.2.
Ten aanzien van de gestelde partner van eiser en haar familieleden heeft Nederland bij de autoriteiten van Kroatië ook verzoeken om terugname gedaan. Kroatië heeft deze verzoeken wel aanvaard.
Algemene situatie in Duitsland
6. Het algemene uitgangspunt is dat de staatssecretaris op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest).
6.1.
De rechtbank constateert dat eiser op dit punt geen specifieke beroepsgronden heeft aangevoerd. De staatssecretaris heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland de internationale verplichtingen nakomt.
Eenheid van het gezin en de gestelde gezinsband
7. Eiser voert aan dat de staatssecretaris na afwijzing van het verzoek ten onrechte geen verzoek tot heroverweging aan de Kroatische autoriteiten heeft gestuurd. Eiser verwijst hierbij naar artikel 10 en 17 van de Dublinverordening. Eiser benadrukt het belang dat ook de Dublinwetgever hecht aan de eenheid van het gezin. Volgens eiser kan en mag het niet zo zijn hij als enige naar Duitsland wordt gestuurd, terwijl zijn gestelde echtgenote met zijn schoonfamilie terug moet naar Kroatië. Eiser wijst er daarnaast op dat in het claimverzoek aan Duitsland ten onrechte niet is vermeld dat eiser een echtgenote heeft en dat Kroatië haar claim heeft geaccepteerd. Daarmee heeft de staatssecretaris, volgens eiser, onvoldoende informatie verschaft aan de Duitse autoriteiten om een zorgvuldige en juiste beoordeling van het claimverzoek te verrichten. Nu Duitsland de claim heeft geaccepteerd op basis van onvolledige informatie, kan volgens eiser geen sprake zijn van een rechtmatig claimakkoord. Op basis daarvan kan Duitsland niet de verantwoordelijke lidstaat zijn. Door de handelswijze van de staatssecretaris kunnen zowel Duitsland als Kroatië niet de eenheid van het gezin waarborgen, aldus eiser. Hieruit dient volgens eiser de conclusie te volgen dat Nederland de verantwoordelijke lidstaat is geworden.
7.1.
Eiser betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geconcludeerd dat het gestelde huwelijk niet is aangetoond. Hij verwijst naar verklaringen van de meegereisde familieleden, die allen bevestigen dat zij en de gestelde echtgenote gehuwd zijn. Bovendien hebben zij allebei een verklaring gegeven waarom zij geen documenten hebben overgelegd: zij zijn gevlucht naar Turkije, zijn aldaar getrouwd en omdat zij daar illegaal verbleven konden ze het huwelijk niet laten registreren. Volgens de sharia is een religieus huwelijk echter ook een geldig huwelijk. Eiser wijst daarnaast op het ambtsbericht Afghanistan van juni 2023, waaruit blijkt dat maar weinig Afghaanse echtparen een officiële huwelijksakte bezitten. In beroep heeft eiser foto’s overgelegd van de huwelijksceremonie. Bovendien zijn eiser, zijn gestelde echtgenote en haar familieleden allemaal als één gezin zijn aangemerkt in de loopbrief en verblijven ook als zodanig in de opvang bij het COa.
7.2.
De rechtbank overweegt dat eiser heeft verklaard dat hij en de gestelde partner in 2022 in Turkije zijn getrouwd voor een imam. Hiervan zouden in het geheel geen documenten voorhanden zijn.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser de gestelde gezinsband onvoldoende heeft onderbouwd.
De staatssecretaris heeft de verklaringen van eiser en de gestelde echtgenote en de overgelegde ongedateerde foto’s van een ceremonie onvoldoende kunnen vinden om het gestelde huwelijk aan te tonen. De rechtbank volgt de staatssecretaris in zijn standpunt dat niet met zekerheid kan worden gezegd waar de foto’s genomen zijn en of dit huwelijksfoto’s van een huwelijk tussen eiser en de gesteld echtgenote uit 2022 zijn. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat een religieus huwelijk ook een geldig huwelijk is, volgt de rechtbank niet. Daarnaast heeft de staatsecretaris kunnen concluderen dat niet is gebleken dat sprake is van een duurzame relatie in de zin van de Dublinverordening. Niet is gebleken van samenwoning in het land van herkomst. Daarnaast heeft eiser ook in beroep geen bewijsstukken overgelegd om een duurzame relatie te onderbouwen.
8. De rechtbank dient nu de vraag te beantwoorden of verweerder het gestelde huwelijk had moeten vermelden in de Dublinclaim zoals verzonden naar Duitsland. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit artikel 23, vierde lid en artikel 22, derde lid, van de Dublinverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening volgt dat de staatssecretaris slechts gehouden is informatie in het terugnameverzoek te vermelden die de aangezochte lidstaat in staat stelt om te beoordelen of hij krachtens de in de Dublinverordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag van de vreemdeling. Nu de gestelde gezinsband niet aannemelijk is geworden en alleen daarom niet is gebleken dat Nederland verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag van eiser op grond van artikel 9, 10, 11 of 16 van de Dublinverordening, is de rechtbank van oordeel dat de informatie over het claimakkoord van de gestelde partner van eiser niet relevant is voor de vraag of hij terug kan keren naar Duitsland. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het terugnameverzoek aan Duitsland onvolledig is geweest.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is, mede gelet op bovenstaande, geen sprake van een onrechtmatig claimakkoord van Duitsland door het niet vermelden van de gestelde partner van eiser. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft ter zitting terecht erop gewezen dat er geen verplichting bestaat om een dergelijk gegeven op te nemen in een claimverzoek op het moment dat de gestelde gezinsband niet is aangetoond.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3187.
Dit betreft een bevestigende uitspraak in hoger beroep in navolging van een uitspraak van
zittingsplaats Haarlem van 27 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12694.