Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:602
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,296 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.287
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Wortel),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Verweerder heeft op 4 oktober 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hieruit blijkt dat verweerder op 10 januari 2024 de maatregel van bewaring heeft opgeheven.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1988] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van
het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 november 2023 (in de zaak NL23.36325) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser is op 4 oktober 2023 in bewaring gesteld en hij heeft diezelfde dag zijn asielwens geuit. Uitgangspunt is dat eiser in vrijheid zijn asielprocedure mocht afwachten. Bij uitspraak van 30 november 2023 is eisers eerdere beroep tegen zijn bewaring ongegrond verklaard. Inmiddels is de asielaanvraag weliswaar afgewezen, maar er is nog niet beslist over zijn verblijfsaanvraag voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ en de voorlopige voorzieningenprocedure hierover loopt nog. Het is eiser niet bekend of er al een uitspraak is gedaan. Dit blijkt ook niet uit de voortgangsrapportage. Eiser kan bij zijn zus verblijven.
5. De rechtbank oordeelt dat verweerder geen lichter middel hoefde op te leggen. De rechtbank overweegt dat uit de gronden van de maatregel van bewaring
volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Deze gronden zijn nog onverkort van toepassing. Verder heeft verweerder eerder een lichter middel opgelegd, namelijk de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 56 Vw. Toen is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Daaraan voegt de rechtbank toe dat verweerder in de maatregel van bewaring ook andere redenen heeft gegeven waarom het opleggen van een lichter middel er naar alle waarschijnlijkheid niet toe zal bijdragen dat eiser Nederland zal verlaten. De feiten en omstandigheden die verweerder hierbij aan eiser tegenwerpt, zijn nog steeds van toepassing. In wat eiser nu aanvoert, namelijk dat hij bij zijn zus kan verblijven, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien een ander standpunt in te nemen.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 januari 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.