Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:5928
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,682 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15982
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer),
en
[naam], eiseres,
geboren op [geboortedatum].
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer),
mede namens hun minderjarige kinderen,
[naam],
geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [v-nummer],
en
[naam],
geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [v-nummer],
allen van Syrische nationaliteit en hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
Bij besluiten van 11 april 2024 (de bestreden besluiten) heeft de staatssecretaris aan eisers een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft op 16 april 2024 de maatregelen van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 19 april 2024 op zitting behandeld. Eisers en de staatssecretaris hebben zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. In de maatregelen van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de maatregelen nodig zijn omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en er een significant risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken. De staatssecretaris heeft ten grondslag gelegd dat eisers:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De staatssecretaris heeft de gronden in de maatregelen nader gemotiveerd. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
2. De rechtbank stelt vast dat eisers de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet hebben bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
3. De rechtbank is van oordeel dat eisers vallen onder de in artikel 59a van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening nu uit het EU-Vis-systeem volgt dat op Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming en nu de Spaanse autoriteiten op 16 oktober 2023 het terugnameverzoek van de Nederlandse autoriteiten hebben geaccepteerd.
Gronden
4. De rechtbank is van oordeel dat lichte gronden 4a en 4c niet aan de maatregelen van bewaring ten grondslag kunnen worden gelegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen blijkt uit de grond dat de vreemdeling zich niet aan een of meer voor hem geldende verplichtingen heeft gehouden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vb 2000 niet reeds aanstonds dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, nu niet duidelijk is om welke verplichting het gaat. De staatssecretaris heeft in het besluit weliswaar gesteld dat gehandeld is in strijd met artikel 4.21 Vb, maar heeft desgevraagd niet kunnen toelichten op welk onderdeel van artikel 4.21 Vb hij hier specifiek het oog heeft gehad. Gelet hierop heeft de staatssecretaris dan ook niet voldoende gemotiveerd aan welke verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 eisers zich niet hebben gehouden en is het risico op onttrekking bij deze grond niet voldoende gemotiveerd. Bij grond 4c is het risico op onttrekking in zijn geheel niet onderbouwd zodat ook die grond niet aan de maatregelen ten grondslag kan worden gelegd.
4.1.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3k en 4d aan de maatregelen ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregelen van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken, dan wel dat zij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijken of belemmeren. Eisers hebben nu zij niet beschikken over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning immers niet aannemelijk kunnen maken dat zij via de voorgeschreven wijze Nederland zijn binnengekomen (3a) en hebben geen concrete acties ondernomen ter bevordering van hun overdracht. Eisers hebben daarnaast te kennen heeft gegeven niet te beschikken over middelen van bestaan (4d) en de staatssecretaris heeft voor deze grond ook de relevantie voor het risico op onttrekking aan het toezicht gemotiveerd; in samenhang met de andere gronden kan deze grond de maatregelen dan ook dragen.
Lichter middel
5. Eisers stellen zich op het standpunt dat er geen noodzaak was om het gezin met minderjarige kinderen in bewaring te stellen. Volgens eisers heeft de verzwaarde belangenafweging niet deugdelijk plaatsgevonden en is deze ten onrechte in het nadeel van eisers uitgevallen, onder meer omdat de medische gesteldheid van eisers niet voldoende bij deze afweging betrokken is.
5.1.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de bewaring, gezien de uiterste overdrachtsdatum en gezien het risico op onttrekking, noodzakelijk was. Daarbij acht de staatssecretaris het van belang dat eisers in meerdere vertrekgesprekken te kennen hebben gegeven niet mee te zullen werken aan de overdracht. Dit, in combinatie met het gegeven dat de UOD dreigde te verlopen, maakt dat het belang van de staatssecretaris zwaarder woog dan het belang van eisers en dat een inbewaringstelling daarom gerechtvaardigd was. Nu bij de inbewaringstelling is ingezet op het behandelen van het gezin als één sociale eenheid en nu de familie in de gezinslocatie in Zeist is geplaatst waar voorzieningen voor minderjarige voorhanden zijn, zijn volgens de staatssecretaris de belangen van de kinderen voldoende bij de besluitvorming betrokken. Een verzwaarde belangenafweging is daarbij niet aan de orde; uit het beleid van de staatssecretaris volgt dat de inbewaringstelling niet langer dan twee weken mag duren en deze termijn is ruim gehaald.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat artikel A5/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (A) een versterkte mate van terughoudendheid bij vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarigen en extra aandacht voor de mogelijkheid van het gebruik van minder ingrijpende maatregel vereist. Rekenschap moet worden gegeven van de individuele omstandigheden van het geval waarbij in ieder geval de medische achtergrond, de leeftijd van de kinderen en, bij een gezin met minderjarigen, de samenstelling van het gezin worden meegewogen.
5.3.
De rechtbank is niet afdoende gebleken van het bij de belangenafweging betrekken van de leeftijd van de kinderen, de medische gesteldheid van de kinderen of de belangen van de kinderen in algemene zin. De rechtbank overweegt daartoe dat in de maatregelen van de ouders in zijn geheel niet gesproken wordt over de aanwezigheid of de belangen van kinderen. Daarmee zijn niet alle bij het besluit betrokken belangen afgewogen en is er sprake van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dit is ook het geval nu de staatssecretaris geen blijk heeft gegeven de in het eigen beleid genoemde versterkte mate van terughoudendheid als uitgangspunt te nemen.
5.4.
De verwijzing die de staatssecretaris betreffende dit punt ter zitting heeft gemaakt naar de maatregelen van de kinderen is voor de rechtbank geen aanleiding om over dit gebrek heen te stappen. De besluiten van de kinderen zijn namelijk eveneens ontoereikend gemotiveerd. In de maatregelen van de kinderen wordt als uitgangspunt genomen dat de ouders met het oog op overdracht in bewaring wordt gesteld en dat de kinderen, gezien hun afhankelijkheid en bij gebrek aan een tegengesteld belang, met hun ouders mee in bewaring moeten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 2.400,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.750,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS, 18 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9093.