Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:5693
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,301 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15034
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[Naam], verzoeker
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Verzoeker heeft op 29 maart 2024 beroep ingesteld tegen een op diezelfde datum tegen hem uitgevaardigd terugkeerbesluit (NL24.14098) en aan hem opgelegde maatregel van bewaring (NL24.13915).
Verweerder heeft op donderdag 4 april 2024 aan verzoeker medegedeeld dat hij voornemens is om hem uit te zetten naar Turkije op maandag 8 april 2024, om 14:40 uur. Verzoeker heeft daartegen op 8 april 2024 bij verweerder bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding van genoemde aankondiging heeft verzoeker, onder verwijzing naar het beroep tegen de maatregel van bewaring, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de feitelijke uitzetting achterwege blijft en dat hij de uitkomst van de beide beroepsprocedures en het bezwaar in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter is in dit geval op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd om in afwachting van de uitkomst van genoemde beroepen en het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen als dat gelet op de betrokken belangen nodig is.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder voorafgaande mondelinge behandeling op het verzoek beslissen als dat vanwege de bijzondere spoedeisendheid nodig is en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Gelet op het aangekondigde tijdstip van de overdracht van verzoeker, maakt de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik.
3. Verzoeker voert aan dat hij door de uitzetting niet aanwezig kan zijn bij de mondelinge behandeling van de beroepen op woensdag 10 april 2024. Dit is volgens hem in strijd met het recht op een effectief rechtsmiddel, zoals is neergelegd in artikel 6 van het EVRM.
4. Allereerst merkt de voorzieningenrechter op dat het verzoek pas is gedaan enkele uren voor de geplande uitzetting waarvan verzoeker sinds 4 april 2024 op de hoogte is.
5. In het terugkeerbesluit van 29 maart 2024 is vastgesteld dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft en geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Hem is opgedragen onmiddellijk terug te keren naar Turkije. Ook blijkt uit het bestreden besluit dat verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan een eerder bevel zich te begeven naar Polen, waar sprake was van een tijdelijk verblijfsrecht. Verzoeker heeft een en ander niet bestreden, zodat moet worden aangenomen dat sprake is van een terecht uitgevaardigd terugkeerbesluit. Niet is gebleken van aanknopingspunten voor het tegendeel. In zoverre is er dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
6. Met het oog op de uitzetting is aan verzoeker de maatregel van bewaring opgelegd. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat de voorgenomen overdracht in strijd is met zijn recht op een effectief rechtsmiddel tegen de maatregel. Met de overdracht zal allereerst feitelijk worden bereikt wat verzoeker met dat rechtsmiddel nastreeft, te weten de opheffing van de maatregel. Ook na opheffing kan een oordeel verkregen worden over de rechtmatigheid van de maatregel zoals die ten uitvoer is gelegd. Het recht om hierover in persoon te worden gehoord, zoals beschermd door artikel 6 van het EVRM, strekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo ver dat geen uitvoering mag worden gegeven aan het terugkeerbesluit, temeer nu als gevolg daarvan de bewaring zou voortduren. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat verzoeker in zijn beroep tegen de maatregel wordt bijgestaan door een gemachtigde, die hem ter zitting kan vertegenwoordigen. Ook in zoverre ziet de voorzieningenrechter daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch doorgegeven aan de gemachtigde van verzoeker op maandag 8 april 2024 om 14:16 uur en aan de gemachtigde van verweerder op maandag 8 april 2024 om 14:25 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Verdrag tot bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.