Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:5606
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,252 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5866
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. P.T.G. Huisman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: C. Schravensande).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn dagloon per 10 mei 2022 op € 225,95.
Bij het primaire besluit van 19 april 2023 heeft verweerder eiser per 31 januari 2023 een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) toegekend, waarbij het dagloon op € 222,79 is vastgesteld.
In bezwaar heeft eiser gesteld dat de ingangsdatum van de IVA-uitkering op 10 mei 2022 en het dagloon op € 225,57 dient te worden vastgesteld.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, bepaald dat de IVA-uitkering per 10 mei 2022 ingaat en dat het dagloon per die datum € 225,95 bedraagt.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
1.1.
Bij besluit van 3 januari 2018 is aan eiser per 1 januari 2018 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Daarbij is het dagloon van eiser op € 494,14 vastgesteld, maar gemaximeerd tot het maximumdagloon van € 209,26. Per
5 november 2019 heeft eiser zich ziek gemeld. Bij besluit van 8 januari 2020 is hem per 1 januari 2020 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. De ZW-uitkering is gebaseerd op het WW-dagloon van € 517,82. Omdat het maximumdagloon € 219,28 bedraagt, wordt van dit dagloon uitgegaan.
1.2.
Op 4 augustus 2021 heeft eiser een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 1 december 2021 is aan eiser een WIA-uitkering toegekend.
1.3.
Eiser heeft op 10 mei 2022 vanwege toegenomen klachten een wijziging in zijn gezondheidssituatie doorgegeven. Hierop is bij het primaire besluit eiser per 31 januari 2023 voor 80 tot 100% duurzaam arbeidsongeschikt geacht en is hem per die datum een IVA-uitkering toegekend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, bepaald dat de uitkering per 10 mei 2022 ingaat en dat het dagloon € 225,95 bedraagt.
Standpunten van partijen
2. In het bestreden besluit heeft verweerder aan de hand van een berekening toegelicht dat voor het vaststellen van het dagloon van € 222,79 per 2 november 2021 is afgeweken van de regel dat loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover opgave van dat loon is gedaan. Dit is in het voordeel van eiser geweest. Het dagloon van € 222,79 heeft verweerder vervolgens geïndexeerd met 1,42% (index per 1 januari 2022), waarmee het dagloon € 225,95 bedraagt. Het standpunt van eiser dat de IVA-uitkering op het maximumdagloon van € 228,76 dient te worden vastgesteld, heeft verweerder niet gevolgd. Verweerder stelt dat geen sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel, zodat er geen reden is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) in dit geval buiten toepassing te laten.
3. Eiser heeft gesteld dat het dagloon van zijn IVA-uitkering op het maximumdagloon van € 228,76 dient te worden vastgesteld. Toepassing van het Dagloonbesluit levert namelijk in het geval van eiser onevenredig nadeel op. Het Dagloonbesluit moet daarom wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing worden gelaten. Tot de verwachte AOW-leeftijd levert het vastgestelde lagere WIA-dagloon ten opzichte van het maximumdagloon een verlies van naar schatting ongeveer € 10.000,- bruto op. Het inkomen van eiser is al fors gedaald en hij heeft, gelet ook op het feit dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is verklaard, geen mogelijkheden om zijn inkomen aan te vullen. Voor eiser is dit verlies aan inkomsten daarom onevenredig nadelig. Eiser wijst op de knelpuntenbrief van het Uwv van 3 juni 2021, waarin het Uwv aan de minister te kennen heeft gegeven de berekeningswijze van het dagloon voor de Wet WIA als een knelpunt in zijn uitvoering te ervaren. In die brief geeft het Uwv aan dat het wenselijk zou zijn om de dagloonsystematiek WIA in lijn te brengen met de dagloonsystematiek WW/ZW. Eiser wijst verder op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 november 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:2202), waarin de CRvB de toepassing van het Dagloonbesluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft geacht. In die zaak was betrokkene ook vanuit de WW ziek geworden en is aan hem een IVA-uitkering toegekend. De CRvB overwoog daarbij: “Zonder compensatie van het voortdurende nadelige effect van de toepassing van artikel 33 van de WW op de hoogte van het dagloon, vormt dit dagloon voor deze belanghebbenden geen redelijke afspiegeling van het loon in de periode direct voorafgaand aan het intreden van arbeidsongeschiktheid.” Ook in de situatie van eiser vormt het WIA-dagloon geen redelijke afspiegeling van zijn loon. Eiser ondervindt de onnodige en onredelijke verschillen tussen het WW, ZW en WIA-dagloon. In lijn met de voorgestelde oplossing in de voortgangsbrief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 oktober 2023, waar de CRvB naar heeft verwezen, acht eiser het aangewezen om ook in zijn geval bij vaststelling van het WIA-dagloon het WW-dagloon over te nemen.
Oordeel van de rechtbank
4. Niet in geschil is dat verweerder het Dagloonbesluit juist heeft toegepast. Ter beoordeling ligt voor of het Dagloonbesluit in de situatie van eiser buiten toepassing zou moeten worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidbeginsel.
5. Het Dagloonbesluit is een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is. Een dergelijk algemeen verbindend voorschrift kan door de rechter in een zaak over een besluit dat op zo’n voorschrift berust, worden getoetst op rechtmatigheid (de zogenaamde indirecte of exceptieve toetsing). Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de toetsing door de bestuursrechter wordt verricht op de wijze als door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is uiteengezet in zijn uitspraak van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016, 7.5.1). De intensiteit van die beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dat laatste geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.
6.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.