Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:5584
Civiel recht
Bodemzaak
5,997 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/651077 / HA ZA 23-644
Vonnis van 17 april 2024
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [woonplaats 1] (Duitsland),2. [eiser 2],
te [woonplaats 2] (Duitsland),3. [eiser 3],
te [woonplaats 2] (Duitsland),4. [eiser 4],
te [woonplaats 2] (Duitsland),5. [eiser 5],
te [woonplaats 3] (Duitsland),
eisers,
advocaat: mr. M.A.J. Brouwers te Oirschot,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN, te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. M. Beekes te Den Haag.
Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘ [eisers] c.s.’ en gedaagde als ‘de Staat’
Inleiding, de zaak in het kort
De Staat heeft in 2020 strafvorderlijk beslag gelegd op een bedrag van € 73.000 (hierna: het geldbedrag) in contanten dat is aantroffen bij [naam 1] . Begin 2023 heeft de Staat besloten dat dit aan hem zou worden teruggegeven. Volgens [eisers] c.s. is dit geldbedrag van hen. Zij hebben daarom op 18 januari 2023 (conservatoir) beslag gelegd onder de Staat ten laste van [naam 1] om te voorkomen dat het geld aan hem zou worden uitbetaald. Het geld is echter toch aan [naam 1] uitbetaald. [eisers] c.s. vinden dat die betaling niet had mogen plaatsvinden en eisen dat de Staat het geldbedrag (alsnog) aan hen betaalt. Daarnaast zijn zij van mening dat de verklaringen van de Staat als derde-beslagene, luidende dat hij geen gelden aan [naam 1] verschuldigd is (en het beslag dus geen doel heeft getroffen), niet kloppen.
De Staat is het hiermee niet eens. Hij stelt dat hij heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om de betaling stop te zetten, maar dat het beslag in een zo laat stadium is gelegd dat dit niet meer mogelijk is gebleken. De verklaringen dat hij geen gelden van [naam 1] onder zich had, zijn dan ook niet onjuist. Het verweer van de Staat slaagt. De vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen.
De rechtbank beschrijft in dit vonnis eerst hoe de procedure is verlopen en welke stukken zijn ingediend. Daarna worden onder 2 de voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden beschreven en onder 3 de vorderingen. Onder 4 legt de rechtbank uit hoe zij oordeelt over de vorderingen. Het vonnis sluit af met de beslissing, onder 5.
Procesverloop
1.1.
[eisers] c.s. brachten op 3 juli 2023 een dagvaarding uit en dienden die in bij de rechtbank met producties 1 tot en met 20. De Staat voerde schriftelijk verweer met een conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3.
1.2.
De rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen op 29 november 2023 en daarbij een mondelinge behandeling gelast. Voor de mondelinge behandeling hebben [eisers] c.s. nog aanvullende producties 21 tot en met 23 overgelegd.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2024. Verschenen zijn:
[eiser 1] , bijgestaan door mr. M.A.J. Brouwers. Tevens was aanwezig de heer M. Osman, tolk;
namens de Staat: de heer [naam 2] , juridisch adviseur bij het Parket-Generaal, bijgestaan door mr. M. Beekes.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt die aan het griffiedossier zijn toegevoegd. Aansluitend aan de mondelinge behandeling is vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Op 12 september 2020 heeft de politie te Eindhoven een melding ontvangen van een beroving. Volgens de melding zou het slachtoffer, [eiser 1] , een stuk op de motorkap van een auto zijn meegesleurd. De bestuurder van de auto, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is daarop gearresteerd bij een tankstation en het bij hem aangetroffen bedrag van € 73.000 (hierna: het geldbedrag) is in beslag genomen.
2.2.
[eisers] c.s. hebben tegenover de politie verklaard dat het geldbedrag aan hen toebehoorde maar hebben wisselende verklaringen afgelegd over de bestemming daarvan. Onder meer is verklaard dat dit bestemd was voor de aankoop van een auto.
2.3.
Zowel [naam 1] als [eisers] c.s. zijn als verdachten van witwassen aangemerkt en kort vastgehouden door de politie.
2.4.
[eisers] c.s. hebben ieder afzonderlijk op 27 november 2020 klaagschriften als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. De behandelingen daarvan vonden, los van elkaar, plaats op 12 februari 2021. In zijn zaak heeft [eiser 1] zijn eerder tegenover de politie afgelegde verklaringen bijgesteld en verklaard dat het geld bestemd was voor de aankoop van een huis in Syrië. De koop zou plaatsvinden via een zogenaamde Hawala transactie (een informele transactie voor de verplaatsing van geld), waarbij tegelijkertijd met de betaling in Eindhoven door afgifte van het geld aan een tussenpersoon, [naam 1] , ook betaling in Syrië zou plaatsvinden en het huis overgedragen zou worden. In Syrië kwam er echter niemand opdagen, en vervolgens heeft [naam 1] het geld van hem afgepakt en is er vandoor gegaan in zijn auto, aldus [eiser 1] . Bij beschikking van 12 februari 2021 is het beklag ten aanzien van het geldbedrag ongegrond verklaard. De motivering hiervan was dat de rechter niet kon vaststellen of de transactie daadwerkelijk had plaatsgevonden en daarom niet buiten redelijke twijfel kon vaststellen dat [eiser 1] alleen of tezamen rechthebbende op het geldbedrag was. Ten overvloede merkte de rechter op dat, zelfs als [eiser 1] als rechthebbende zou kunnen worden aangemerkt, het belang van waarheidsvinding zich zou verzetten tegen teruggave van het geldbedrag omdat de herkomst van het bedrag, mede gelet op de wisselende verklaringen daarover, onvoldoende duidelijk was.
2.5.
De strafzaken tegen [naam 1] en [eisers] c.s. zijn op 3 januari 2023 geseponeerd. Op dezelfde dag heeft het Openbaar Ministerie (OM) beslist dat het geldbedrag zou worden teruggegeven aan de persoon onder wie het in beslag was genomen, namelijk [naam 1] . Het OM, afdeling beslag, heeft op 10 januari 2023 [eisers] c.s. hiervan in kennis gesteld.
2.6.
Eveneens op 10 januari 2023 heeft de behandeling plaatsgevonden van het door [eiser 2] , de vader van [eiser 1] , op 19 oktober 2022 bij de rechtbank Oost-Brabant ingediende klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv. De rechtbank heeft [eiser 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag, omdat er geen beslag meer lag op het geldbedrag nu het OM (de officier van justitie) op 3 januari 2023 had besloten tot teruggave van het geldbedrag aan [naam 1] .
2.7.
De advocaat van [eisers] c.s. heeft op 12 januari 2023 het OM verzocht het geldbedrag nog veertien dagen onder zich te houden omdat dit [eisers] c.s. zou toebehoren. Het OM heeft in dit verzoek geen reden gezien om de beslissing tot teruggave te herzien.
2.8.
Het uitbetalingsproces van een geldbedrag waarop beslag op grond van artikel 94 Sv heeft gelegen duurt doorgaans circa 10 dagen vanaf de ontvangst en verwerking van de betalingsopdracht door het OM. In dit geval heeft het langer geduurd (21 dagen) omdat tussen 9 december 2022 en 6 januari 2023 ‘de bank’ bij de overheid dicht was (kassluiting) en er begin januari 2023 dientengevolge een achterstand was in de verwerking van betalingsopdrachten.
Het uitbetalingsproces kent vijf fasen: Fase 1 is de Beslagbeslissing teruggeven geld van het OM en de werkopdracht tot teruggave. In dit geval dateren de beslagbeslissing en werkopdracht van 3 januari 2023; In fase 2 geeft de beslagadministratie van het OM opdracht aan de Dienstverlenings-organisatie van het OM (DVOM) om tot uitbetaling van het bedrag over te gaan. Hier is dat gebeurd op 10 januari 2023;In fase 3 maakt DVOM de ‘factuur’ op ten behoeve van de teruggave van het geldbedrag. In dit geval is dat gebeurd op 17 januari 2023.Fase 4 is de goedkeuring van de factuur door DVOM, door middel van ondertekening door twee medewerkers van DVOM. Tot aan het moment van ondertekening door de tweede ondertekenaar kan de betaling nog worden stopgezet, daarna niet meer. In dit geval heeft de tweede ondertekenaar de uitbetalingsopdracht ondertekend op maandag 23 januari 2023 om 14:10 uur.
Fase 5 is de opdracht aan de bank om tot uitbetaling over te gaan. Dat is hier gebeurd op 23 januari 2023. De bank heeft vervolgens het geldbedrag aan [naam 1] uitbetaald op dinsdag 24 januari 2023.
2.9.
Op 13 januari 2023 hebben [eisers] c.s. een beslagrekest ingediend voor het leggen van beslag tot afgifte en conservatoir derdenbeslag onder de Staat ten laste van [naam 1] . De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft daartoe, na om aanvulling van het beslagrequest te hebben laten vragen, verlof verleend op 17 januari 2023.
2.10.
[eisers] c.s. hebben het exploit tot conservatoir beslag tot afgifte en conservatoir derdenbeslag aan de Staat laten betekenen bij het Parket-Generaal bij de Hoge Raad op woensdag 18 januari 2023 om 17:20 (1e beslagexploit). Omdat er op dat tijdstip niemand meer aanwezig was, is dit exploit de dag erna direct doorgezonden aan de betreffende ministeries genoemd in het exploit. De betreffende ministeries dienen na te gaan waar het beslag op ziet, het Parket-Generaal van de Hoge Raad beschikt niet over die informatie.
2.11.
Op vrijdag 20 januari 2023 hebben [eisers] c.s. een aanvullend exploit van conservatoir beslag tot afgifte en conservatoir derdenbeslag laten betekenen, waarin een (ander) registratienummer en goednummer zijn vermeld en een kennisgeving inbeslagname is bijgevoegd (2e beslagexploit).
2.12.
Procesverloop
2.13.
Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft in dit geval het (1e) exploit op maandag 23 januari 2023 ontvangen. Naar aanleiding daarvan is er contact geweest met het LBA. Het geldbedrag bleek al te zijn uitbetaald.
2.14.
Op 1 februari 2023 heeft de advocaat van [eisers] c.s. een e-mailbericht gestuurd aan het parket Oost-Brabant waarin zij verzoekt het geldbedrag onder zich te houden in afwachting van de procedure bij de civiele rechter, en bericht dat binnen vier weken na beslaglegging een derdenverklaring moest volgen.
2.15.
Op 2 februari 2023 heeft de advocaat van [eisers] c.s. per aangetekende post brieven met een soortgelijke inhoud gestuurd aan DVOM en het OM Oost-Brabant.
2.16.
Eveneens op 2 februari 2023 hebben [eisers] c.s. een derdenverklaring van de Belastingdienst, gedateerd 1 februari 2023, ontvangen. Hierin staat dat de Belastingdienst sinds de datum van beslaglegging tot heden (nog) geen bedragen onder zich heeft gekregen van [naam 1] .
2.17.
Bij e-mailbericht van 16 februari 2023 heeft de officier van justitie de advocaat van [eisers] c.s. desgevraagd onder meer bericht dat het op 18 januari 2023 betekende beslagexploit (1e beslagexploit) niet op tijd DVOM of het Parket Oost-Brabant heeft bereikt, dat het geldbedrag op 23 januari 2023 is gestort aan [naam 1] en dat zij gelet op de privacywetgeving niet het rekeningnummer van [naam 1] aan [eisers] c.s. kon verstrekken.
2.18.
Op 9 maart 2023 hebben [eisers] c.s. een derdenverklaring van het Functioneel Parket ontvangen waarin staat dat het OM op dat moment niets was verschuldigd aan [naam 1] en geen gelden meer op de rekening had staan in deze zaak.
2.19.
Bij e-mailbericht van 16 maart 2023 heeft de advocaat van [eisers] c.s. het functioneel parket van het OM Oost-Brabant bericht de inhoud van deze derdenverklaring te betwisten en verzocht die te herzien. Dit verzoek is herhaald bij brieven/e-mailberichten van 18 april en 9 mei 2023.
2.20.
Bij brief van 12 mei 2023 heeft de hoofdofficier van justitie van het parket van het OM Oost-Brabant bericht dat aan het verzoek geen gehoor zal worden gegeven, onder uiteenzetting van de redenen daarvoor.
2.21.
Bij verstekvonnis van 29 maart 2023 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verklaring voor recht afgegeven luidende dat [eisers] c.s. rechthebbenden zijn op het geldbedrag en [naam 1] onder meer veroordeeld tot terugbetaling van het geldbedrag aan [eisers] c.s.. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eisers] c.s. hebben dit vonnis aan de Staat betekend op 14 april 2023. Het tegen het verstekvonnis door [naam 1] ingestelde verzet is ongegrond verklaard en het verstekvonnis is bekrachtigd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2024.
Geschil
3.1.
[eisers] c.s. vorderen dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1) voor recht verklaart dat de derdenverklaringen afgelegd door de Staat ondeugdelijk zijn;
2) voor recht verklaart dat ten tijde van de beslaglegging op 18 januari 2023 het bedrag van € 73.000 zich onder de Staat bevond en de Staat veroordeelt tot afgifte dan wel betaling van dit bedrag aan hen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2023;
3) de Staat veroordeelt tot betaling van € 1.505,- aan buitengerechtelijke incassokosten binnen zeven dagen na de datum waarop dit vonnis is gewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de achtste dag nadat dit vonnis is gewezen;
4) de Staat veroordeelt in de proceskosten, te voldoen binnen zeven dagen na de datum waarop dit vonnis is gewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na de datum waarop dit vonnis is gewezen.
3.2.
[eisers] c.s. leggen aan hun vorderingen – kort samengevat – ten grondslag dat het geldbedrag van € 73.000,- ten tijde van de beslaglegging op 18 januari 2023 zich nog onder de Staat bevond omdat dit pas op 23 januari 2023 is uitbetaald aan [naam 1] .
De derdenverklaringen afgelegd door de Staat zijn daarom onjuist. De Staat had zijn derdenverklaringen moeten herzien dan wel opnieuw af moeten leggen en het geldbedrag van € 73.000,- aan [eisers] c.s. moeten afdragen. [eisers] c.s. mochten erop vertrouwen dat de Staat op grond van de aan hem betekende beslagexploiten zou doen wat hij moest doen, namelijk de afgifte aan [naam 1] van het geldbedrag van € 73.000,- stopzetten.
3.3.
De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met hoofdelijke veroordeling van [eisers] c.s. in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Met hun vorderingen die betrekking hebben op de derdenverklaringen afgelegd door de Staat en de afgifte dan wel betaling van het geldbedrag van € 73.000 aan hen, willen [eisers] c.s. in feite bereiken waarin de betwistingsprocedure op grond van artikel 477a lid 2 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorziet: het betwisten van de verklaringen van de Staat als derde-beslagene, en de afdracht van wat in rechte als vallend onder het beslag komt vast te staan. De onderhavige procedure zal de rechtbank daarom (deels) aanmerken als een betwistingsprocedure in de zin van artikel 477a lid 2 Rv, in lijn met hoe beide partijen deze procedure hebben gekwalificeerd.Verder beroepen [eisers] c.s. zich op artikel 475 h lid 1 Rv dat bepaalt dat een in weerwil van een derdenbeslag gedane betaling aan de schuldenaar niet aan de beslaglegger kan worden tegengeworpen.
4.2.
De rechtbank stelt, ambtshalve, vast dat [eisers] c.s. tijdig de betwistingsprocedure als bedoeld in artikel 477a lid 2 Rv aanhangig hebben gemaakt en dus ontvankelijk zijn.
Een beslaglegger, in dit geval [eisers] c.s., is op grond van artikel 477a lid 2 Rv bevoegd de verklaring van de derde-beslagene, in dit geval de Staat, te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen als executoriaal beslag is gelegd of een conservatoir beslag executoriaal is geworden (artikel 704 lid 1 Rv) en de executoriale titel aan de derde is betekend. Aan die vereisten is hier voldaan. Met het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2023, op 14 april 2023 betekend aan de Staat, hebben [eisers] c.s. een executoriale titel verkregen en is het conservatoir beslag overgegaan in een executoriaal beslag (artikel 704 lid 1 Rv). De vervaltermijn van twee maanden als bedoeld in art. 477a lid 2 Rv nam -uitgaande van de ontvangst van de verklaringen van de Staat op 2 februari 2023 respectievelijk 9 maart 2023- op grond van artikel 723 Rv eerst een aanvang vier weken na 14 april 2023. Nu de dagvaarding is uitgebracht op 3 juli 2023 is dit binnen de wettelijke termijn gebeurd.
4.3.
De inhoudelijke beoordeling van de zaak leidt echter niet tot toewijzing van de vorderingen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
4.4.
De rechtbank zal eerst het beroep van [eisers] c.s. op artikel 475h lid 1 Rv beoordelen. In dat artikellid staat dat een betaling die is verricht in weerwil van een beslag, tot stand gekomen nadat het beslag is gelegd, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen, tenzij de derde heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de betaling of afgifte te voorkomen. Dit betekent volgens [eisers] c.s. dat de Staat, nu hij een betaling heeft verricht in weerwil van het beslag, gehouden is het geldbedrag alsnog aan hen te betalen.
4.5.
De Staat voert als verweer dat hij heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kon worden, maar dat het betalingsproces zich al in een te vergevorderd stadium bevond om de betaling nog te kunnen tegenhouden. Hij wijst erop dat het stopzetten van een betaling over vijf schijven loopt en dat vanaf het moment van beslaglegging op woensdagmiddag
18 januari 2023 er te weinig tijd was om het betalingsproces en de uitbetalingsopdracht aan de bank op maandagmiddag 23 januari 2023 stop te zetten. Daarnaast was het beslagexploit volgens de Staat niet duidelijk genoeg over waar het inbeslaggenomen geldbedrag zich bevond en ook is niet duidelijk gemaakt dat er grote spoed mee was gemoeid omdat er al een betalingsopdracht was verstrekt.
4.6.
Dit verweer slaagt. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ruimte die artikel 475h lid 1 Rv geeft, niet is komen vast te staan dat de Staat in dit geval in strijd met genoemd artikel heeft gehandeld. Weliswaar is de betaling feitelijk uitgevoerd nadat beslag was gelegd, maar de Staat heeft voldoende aangevoerd op grond waarvan, bij gebreke van voldoende betwisting, vast is komen te staan dat de betalingsopdracht ruim vóór het beslag was gegeven en dat hij redelijkerwijs niet meer in staat was de feitelijke uitbetaling tegen te houden.
Het proces tot teruggave van het geldbedrag aan [naam 1] is op 3 januari 2023 aangevangen en [eisers] c.s. zijn hiervan op de hoogte gesteld op 10 januari 2023. Eerst op woensdag 18 januari 2023 om 17:20 uur hebben [eisers] c.s. het exploit conservatoir derdenbeslag betekend aan de Staat bij het Parket-Generaal bij de Hoge Raad. Op dat moment was het betalingsproces ruim 15 dagen onderweg. Vanaf het moment van betekening op 18 januari 2023 om 17:20 uur tot aan het moment dat de factuur uitbetaling door de 2e ondertekenaar werd ondertekend op 23 januari 2023 om 14:10 uur, had de Staat, rekening houdend met het daartussen gelegen weekend, feitelijk 2,5 werkdag om de teruggave van het geldbedrag aan [naam 1] te stoppen. Dit is redelijkerwijs te kort om die teruggave nog te kunnen stoppen. Ditzelfde geldt ten aanzien van het op vrijdag 20 januari 2023 betekende (2e) exploit.
Naar de Staat onweersproken heeft gesteld, heeft het Parket-Generaal bij de Hoge Raad geen inzicht in alle gegevens en kan hij niet zien waar het beslag op ziet, maar is dit voorbehouden aan de verantwoordelijke ministeries. Deze werkwijze komt de rechtbank niet onredelijk voor. Het Parket-Generaal bij de Hoge Raad heeft na ontvangst van het (1e) exploit dit direct op de eerstvolgende werkdag doorgestuurd aan de betreffende ministeries (Justitie en Veiligheid, Financiën). Daarmee heeft de Staat gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden.
Het (1e) exploit bereikte het ministerie van Justitie en Veiligheid op 23 januari 2023, dezelfde dag zette de 2e ondertekenaar van het LBA zijn handtekening. In dat stadium kon de Staat de teruggave aan [naam 1] niet meer stopzetten.
De rechtbank ziet in de betaling die na datum beslaglegging aan [naam 1] is verricht dan ook geen grond voor het aannemen van een verplichting op grond van artikel 475h Rv tot betaling door de Staat aan [eisers] c.s..
4.7.
[eisers] c.s. (hun advocaat) moet worden nagegeven dat de Staat in verhouding tot andere derde-beslagenen met deze redenering coulant wordt beoordeeld, maar die behandeling wordt gerechtvaardigd door het grote aantal (derden-)beslagen dat via het Parket-Generaal bij de Hoge Raad en de ministeries over een groot aantal overheidsdiensten moet worden verspreid. Bij het oordeel van de rechtbank speelt verder nog een rol dat het op het Parket-Generaal bij de Hoge Raad niet (net zomin als op de ministeries) duidelijk was dat bij dit beslag bijzondere spoed vereist was, nu – zoals ook [eisers] c.s. wisten – het uitbetalingsproces al twee weken daarvoor in gang was gezet. Als dit duidelijk op het beslagexploit zou zijn vermeld, zou wellicht anders geoordeeld moeten worden.
4.8.
De betwisting van de juistheid van de derde-beslageneverklaringen (art. 477a, lid 2 Rv) dient in dit geval te worden beoordeeld tegen de achtergrond van het zojuist gegeven oordeel dat de uitbetaling de Staat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het zou immers ongerijmd zijn, indien via artikel 477a, lid 2, Rv alsnog zou kunnen worden bereikt waartoe op grond van artikel 475h, lid 1, Rv de weg is afgesneden. De derde-beslagverklaringen zijn in die zin juist dat [naam 1] op het moment van invullen geen vordering meer had op de Staat, maar de rechtbank constateert dat de verklaring uiteraard diende te zien op wat de Staat [naam 1] verschuldigd was op het moment van beslaglegging. Die constatering kan dus echter niet tot een betalingsverplichting van de Staat leiden.
4.9.
De vordering tot betaling van het geldbedrag zal op grond van het vorenstaande worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af;
5.2.
veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van de Staat van € 5.443,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] c.s. niet tijdig betalen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92 extra aan de Staat betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze uitspraak voor wat betreft de veroordelingen tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2024.
3150